Nederlandse Taalunie

Organisatie

De Nederlandse Taalunie (1980) is een kennis- en beleidsorganisatie die verantwoordelijk is voor het stimuleren, ontwikkelen en uitvoeren van het gezamenlijk taalbeleid voor het Nederlands in Nederland, Vlaanderen en Suriname en voor de ondersteuning van de (academische) studie van het Nederlands daarbuiten.

Oprichting
1980
Leestijd: 11 minuten

De Nederlandse Taalunie (1980) is een kennis- en beleidsorganisatie die verantwoordelijk is voor het stimuleren, ontwikkelen en uitvoeren van het gezamenlijk taalbeleid voor het Nederlands in Nederland Nederland Nederland is met Vlaanderen verbonden door de economische infrastructuur, de taal en de geschiedenis. Vanaf eind 18de eeuw kreeg die verbondenheid in taal en cultuur op uiteenlopende mani... Lees meer , Vlaanderen en Suriname. Ook het bestendigen en versterken van de positie van het Nederlands als taal Taal Taal De ontwikkeling van het Nederlands vormde tot diep in de 20ste eeuw een fundamenteel aandachtspunt in de Vlaamse beweging. De wijze waarop het geschreven en gesproken Nederlands gehanteer... Lees meer en van de Nederlandstalige cultuur in ruimere zin buiten het eigen taalgebied is een kerntaak. De Taalunie wordt, als intergouvernementele organisatie waaraan meerdere staten hun taalbeleid hebben toevertrouwd, internationaal als een unicum beschouwd. De hoofdzetel van de Taalunie is gevestigd in Den Haag; in Brussel is er een kantoor.

De Taalunie communiceerde – behalve via uiteenlopende rapporten – eerst via het Publikatieblad van de Nederlandse Taalunie, dat later werd vervangen door Taalschrift. Vandaag richt men zich in eerste instantie tot het publiek via een website (www.taalunie.org) en kunnen geïnteresseerden zich abonneren op een nieuwsbrief.

Geschiedenis en samenwerkingsverbanden

Het verdrag tot oprichting van de Taalunie tussen België en Nederland werd in Brussel Brussel In de geschiedenis van de Vlaamse beweging speelde Brussel een unieke rol vanwege haar hoofdstedelijke functies, economische aantrekkingskracht en als symbool van verfransing, die zich v... Lees meer ondertekend op 9 september 1980. In 1981 werd de verdragtekst goedgekeurd in de beide Kamers van de Nederlandse Staten-Generaal en in de Vlaamse Raad Vlaams Parlement Vlaams Parlement Het Vlaams Parlement is de parlementaire vergadering van de Vlaamse deelstaat in het federale België. Zijn geschiedenis kent drie grote fasen: de periode van de Cultuurraad voor de Neder... Lees meer , de voorloper van het Vlaamse parlement Vlaams Parlement Vlaams Parlement Het Vlaams Parlement is de parlementaire vergadering van de Vlaamse deelstaat in het federale België. Zijn geschiedenis kent drie grote fasen: de periode van de Cultuurraad voor de Neder... Lees meer . In januari 1982 werden de ratificatieakkoorden uitgewisseld.

Met het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie werd voor het eerst officieel de eenheid van het Nederlandse taalgebied vastgelegd, nadat België België België Geen Vlaamse beweging zonder België. Het is ook onmogelijk om België te begrijpen zonder de geschiedenis van de Vlaamse beweging erbij te betrekken. Tussen het ontstaan van een culturele ... Lees meer en Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog geregeld hadden overlegd en samengewerkt in verband met taal- en spellingskwesties en daaromtrent een aantal gemeenschappelijke besluiten waren genomen en geïmplementeerd. In 1953 werd de eerste Woordenlijst van de Nederlandse Taal gepubliceerd. Daarnaast waren er de adviezen van de Commissie ter uitvoering van het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag Het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag regelde van 1946 tot 1995 de politieke en ambtelijke samenwerking tussen enerzijds Nederland en anderzijds België, en vooral Vlaanderen. Lees meer (van 1946) uit 1962 en 1971, die respectievelijk pleitten voor een brede, grensoverschrijdende culturele en taalkundige samenwerking en voor wat werd omschreven als een Nederlands-Belgische Academie voor de Nederlandse Taal. Van begin februari 1974 tot eind december 1976 werd door een gemengde Nederlands-Vlaamse werkgroep een Ontwerp voor een Nederlandse Taalunie voorbereid en geredigeerd.

Belangrijke pleitbezorgers van de Taalunie waren de Vlaamse christendemocratische jurist en hoge ambtenaar Johan Fleerackers Fleerackers, Johan Fleerackers, Johan Johan Fleerackers was bestuurder van vele culturele organisaties en voor verschillende ministers van Cultuur de kabinetschef. Hij besteedde veel aandacht aan de Vlaams-Nederlandse culture... Lees meer en de Nederlandse sociaaldemocratische historicus, promovendus van Pieter Geyl Geyl, Pieter Geyl, Pieter Pieter Geyl (1887–1966) was een Nederlandse historicus met uitgesproken Groot-Nederlandse opvattingen, die een belangrijke rol speelde in het Vlaams-nationalisme tijdens het interbellum.... Lees meer en wetenschappelijke bibliothecaris Arie Wolter Willemsen Willemsen, Arie W. De Nederlandse historicus Arie Wolter Willemsen (1930-2003) was een specialist inzake de geschiedenis van de Vlaamse beweging in het algemeen en van het Vlaams-nationalisme tijdens het in... Lees meer . Deze generatie- en geestgenoten waren sinds het begin van hun universieitsstudies aan het eind van de jaren 1940 intensief betrokken bij tal van officiële en officieuze initiatieven in verband met Vlaams-Nederlandse culturele samenwerking en stonden beiden een vergaande culturele integratie van Vlaanderen en Nederland voor. De intentie om van de Taalunie een instrument te maken om dat streven te bevorderen werd gedeeld door nagenoeg alle geïnteresseerden in Vlaanderen, terwijl het publiek en de beleidsmakers in Nederland haar vooral beschouwden als een organisatie in verband met taal(gebruik) in de meer strikte zin van het woord.

De feitelijke en praktische organisatie en uitbouw van de Taalunie, met de installatie van bestuurs- en werkingsorganismen, duurde tot 1 juli 1984. Artikel 2 van het verdrag verwoordde de hoofddoelstelling van de Taalunie als ‘de integratie van Nederland en de Nederlandstalige gemeenschap in België op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin’.

Suriname is sinds 2004 geassocieerd lid van de Taalunie en sinds 2006 vertegenwoordigt een gedetacheerd personeelslid er de organisatie. Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zijn geen geassocieerde leden van de Taalunie, maar werken er op veel gebieden mee samen in het kader van raamovereenkomsten over onder meer universitair onderwijs, educatief en didactisch taalmateriaal en culturele samenwerking. Sinds 2013 valt Caribisch Nederland (de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba) onder de reguliere werking van het Taalunieverdrag. Op die manier zijn alle landen waar het Nederlands een officiële taal of één van de officiële talen is, betrokken bij de Taalunie.

Na de afschaffing van de apartheid heeft de Taalunie vanaf 1995 in Zuid-Afrika Zuid-Afrika Zuid-Afrika Deze bijdrage belicht de relatie tussen de Vlaamse beweging en Zuid-Afrika van de 19de tot de 21ste eeuw. Lees meer het onderwijs van het Nederlands als vreemde taal en de neerlandistiek ondersteund. Sinds 2010 wordt ook ingespeeld op de taalverwantschap tussen het Nederlands en het Afrikaans en werd daarover een intentieverklaring tot nadere samenwerking ondertekend. In 2020 sloot de Taalunie een convenant met de Afrikaanse Taalraad. Met Indonesië, waar het Nederlands als bronnentaal (een taal die men eerder leert om bepaalde teksten te kunnen lezen dan om ze te kunnen spreken) nog steeds een belangrijke rol speelt, heeft de Taalunie opvallend genoeg geen speciale samenwerkingsovereenkomsten gesloten, hoewel het onderwijs en de studie van het Nederlands er in overleg met de Nederlandse ambassade in de hoofdstad Jakarta (en binnenkort vermoedelijk in het nieuw gebouwde Nusantara) worden ondersteund.

Organisatiestructuur en (secundaire) doelen

De Taalunie wordt gefinancierd door de Nederlandse, Vlaamse en Surinaamse regeringen, met subsidies in verhouding tot het aantal Nederlandssprekenden.

Het beleid van de Taalunie wordt bepaald door het Comité van Ministers (opgericht in 1982), dat wordt gevormd door de ministers of staatssecretarissen die in de Nederlandse en de Vlaamse regeringen bevoegd zijn voor onderwijs en cultuur, en politiek gesuperviseerd door een Interparlementaire Commissie (opgericht in 1983). De Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren (opgericht in 1983 en opgeheven in 1992) is het adviesorgaan van het Comité van Ministers en bestaat uit deskundigen en prominente taalgebruikers, zoals taal- en literatuurwetenschappers en literatoren. Het Algemeen Secretariaat van de Taalunie (opgericht in 1982), dat beschikt over ongeveer 30 medewerkers, bereidt het beleid voor in overleg met taal- en literatuurexperts, coördineert het en voert het uit.

Een belangrijke taak van de Taalunie is het ‘bewaken’ van het standaardnederlands Standaardtaal De standaardtaal is het product van renaissancistische opvattingen over taal en het resultaat van een reeks concrete taalinterventies. In het Nederlandse taalgebied leidde dit naar een St... Lees meer , met name wat Vlaanderen betreft, waar het Nederlands een lange strijd heeft moeten voeren om zich te affirmeren als een volwaardige taal naast het lange tijd dominante Frans. In Nederland is het gebruik van het Nederlands altijd vanzelfsprekend geweest, ook al vormt de verengelsing van de maatschappij (met name in de Randstad) en het onderwijs de laatste decennia een aanleiding tot debat.  Daardoor liggen de taalgevoeligheden (en bijgevolg de verwachtingen in verband met de Taalunie) in dit gebied anders. Leesbevordering via het onderwijs en langs andere kanalen en het in het oog houden van de uniformiteit van de taalregels worden vanuit Nederlandse hoek primordiaal en prioritair geacht.

Een andere hoofdopdracht die de Taalunie zich stelt, is de ondersteuning van het (universitaire onderwijs) Nederlands in het buitenland.

Op deze twee gebieden schrijft het Taalunieverdrag de Taalunie een bepalende rol voor—hieronder wordt uitgebreider ingegaan op deze aspecten. Het verdrag kent de organisatie een aanvullende rol als het om de volgende gebieden gaat:

Onderwijs in en van het Nederlands binnen het taalgebied. De Taalunie adviseert de overheid over het onderwijsbeleid door kennis te vergaren en ondersteuningsinstrumenten te ontwikkelen. In de beleidsperiode 2020-2024 werkt de Taalunie bijvoorbeeld aan de implementatie van een actueel referentiekader die de taalcompetenties beschrijft waar elke leraar Nederlands over zou moeten beschikken. Ook probeert de Taalunie op dit gebied het dalende instroom in de studie Nederlands tegen te gaan door de banden tussen de Neerlandistiek intra- en extra-muros ( binnen en buiten het taalgebied) te versterken.

Promotie van de Nederlandstalige literatuur Literatuur Literatuur De literatuur heeft een cruciale rol gespeeld in het ontstaan van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd en ook in de daaropvolgende fasen van de Vlaamse natiewording zijn schrijvers vaak richting... Lees meer en cultuur. Hiervoor werkt de Taalunie nauw samen met andere overheidsinstanties die toegespitst zijn op literatuurbeleid (zoals het Nederlands Letterenfonds of Literatuur Vlaanderen). Het stimuleren van vertaalbeleid hoort ook bij de taken van de Taalunie: zo co-financiert de organisatie het Expertisecentrum Literair Vertalen, een organisatie die de deskundigheidsbevordering van vertalers in en uit het Nederlands als hoofddoel heeft. Verder kent de Taalunie ook drie literaire prijzen toe: de Prijs der Nederlandse Letteren (driejaarlijks, de belangrijkste Nederlandse oeuvreprijs), de jaarlijkse Taalunie Toneelschrijfprijs en de jaarlijkse Inktaap (de jongerenprijs van de Nederlandse literatuur).

Spellingregulatie, taaladvies en lexicografie

In Nederland werd de spelling van het Nederlands voor het eerst vastgelegd in 1804 en in België gebeurde dat een eerste keer in 1844. Sinds die tijd vormde en vormt de spelling het onderwerp van tal van hervormingen, studies en discussies. De eventuele wijzigingen, herzieningen en aanvullingen van de Woordenlijst der Nederlandse Taal – Het Groene Boekje zijn sinds 1995 via het Instituut voor de Nederlandse Taal toevertrouwd aan de Nederlandse Taalunie. De  woordenlijst, waarvan iedere tien jaar – en een eerste keer in 2006 – een geüpdatete editie wordt uitgebracht, wordt door de Commissie Spelling van het Algemeen Secretariaat van de Taalunie samengesteld. Hoewel spelling slechts een klein onderdeel van het takenpakket van de organisatie uitmaakt, heeft dit aspect voor een groot deel het publieke imago van de organisatie mee vormgegeven, vaak in negatieve zin. Zo leidden zowel de eerste (1995) als de tweede editie (2005) van het Groene Boekje (Woordenlijst Nederlandse Taal), gepubliceerd door de Taalunie, tot heel wat ophef. Terwijl in 1995 ongenoegen ontstond over fouten, typo’s en de verandering van sommige spellingsregels, rees in 2005-2006 een breed gedragen protest bij nagenoeg alle Nederlandse kranten tegen de officiële spelling, vastgesteld in het Groene Boekje. Onze Taal, een vereniging voor taalliefhebbers, promootte alternatieve spellingsregels en presenteerde in 2006 het zogenaamde ‘Witte Boekje’. Het was tijdens dit aanhoudende debat vaak de Taalunie zelf die in de media bekritiseerd werd, en met name de Commissie Spelling, samengesteld uit academici die volgens de media geen rekening hielden met de ‘gewone taalgebruiker’. In de Vlaamse media vielen opmerkelijk genoeg weinig tot geen bezwaren tegen de nieuwe officiële spellingsregels waar te nemen.

De Taalunie heeft overigens niet alleen een spellingsregulerende functie, maar fungeert ook als ‘taaladviseur’ door het beantwoorden van publieksvragen over het gebruik van het Nedrlands.  Hiervoor werd Taaladviesoverleg (TAO) ingesteld, een commissie die wordt gevormd door personen uit ‘de praktijk van het taaladvies’.

Anders dan bijvoorbeeld de Académie Française heeft de Taalunie nooit een directe rol gehad in het uitgeven van lexicografische naslagwerken, zoals woordenboeken. De Taalunie ondersteunt wél verschillende initiatieven op dit gebied en is de belangrijkste financier van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie, een academische instantie die het imposante (historische) Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) uitgeeft. De Taalunie sponsort ook projecten, zoals het STEVIN-programma (2004-2010), het Nederlands-Vlaamse stimuleringsprogramma voor de taal- en spraaktechnologie en de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL).

Onderwijs Nederlands buiten het taalgebied

Het beleid van de Taalunie ten opzichte van de promotie van het Nederlands in het buitenland is minder proactief dan dat van vergelijkbare Europese taalorganisaties, zoals het Duitse Goethe Instituut. De Taalunie  beperkt zich tot het ondersteunen van het onderwijs van het Nederlands ‘waar daar vraag naar is’. Wereldwijd zijn er aan buitenlandse universiteiten ongeveer 135 afdelingen of vakgroepen Nederlands. Al dan niet academische instituten in buurlanden ontvangen subsidies van de Taalunie op basis van de grootte van de afdeling, het studentenaantal en het gemiddelde lokale inkomen van (universitaire) docenten. De Taalunie organiseert bovendien zomercursussen voor studenten (en docenten) Nederlands in het buitenland en biedt verschillende (online) leerinstrumenten aan. Tot slot coördineert de Taalunie het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal, een initiatief dat wordt uitgevoerd door de KU Leuven en de Radboud Universiteit in Nijmegen.

De jaren 2015-…: veranderingen en kritiek

De nieuwe Taalunie, zo luidde de titel van het beleidsplan 2015-2020, want de organisatie zou een grotere maatschappelijke rol gaan vervullen en meer bedrijfsmatig gaan functioneren. De Taalunie kwam in het begin van deze nieuwe beleidsperiode echter in een negatief daglicht te staan (in de media) vanwege de bezuinigingen die in 2015 werden aangekondigd. Die maatregelen betroffen onder meer vermindering van de salaristoeslagen voor docenten Nederlands in het buitenland.

De jongste jaren heerst er over het (toekomstige) functioneren, de positionering en de noodzakelijkheid van de Taalunie vooral vanuit Nederland, waar het enthousiasme voor de instelling altijd al minder groot was, nogal wat scepsis. Tegelijk heerste er tijdens de voorbije jaren commotie over de intermenselijke verhoudingen, het leiderschap en de bedrijfscultuur binnen de Taalunie, wat het vertrek van meer dan de helft van de personeelsleden met zich meebracht en in juni 2023 culmineerde in het opstappen van de begin 2020 aangetreden algemeen secretaris. De (mediatieke) beeldvorming en perceptie over de Taalunie evolueerde door dat alles in eerder negatieve zin. Zoals hierboven aangegeven (zie ‘Spellingregulatie, taaladvies en lexicografie’), was dat echter geen nieuw gegeven. Interne en externe kritiek vormde een van de constanten in de ondertussen meer dan 40-jarige geschiedenis van de organisatie.  

Na een overgangsperiode kwam er een doorstart en werd de Vlaamse historicus Gunther van Neste, die onder meer directeur was van het Huis van het Nederlands in Brussel en later werkte op ministeriële kabinetten van liberale politici, in april 2024 aangesteld als algemeen secretaris van de Taalunie.

Literatuur

– G. Durnez, Publiek kent ze niet, bewindslieden vergeten haar. Taalunie moet aan haar imago werken’, in: De Standaard, 18 september 1984.
– Vijf jaar Taalunieverdrag 1980-1985, 1985.
– Een veel te bescheiden viooltje. De Nederlandse Taalunie 1986-1990, 1991.
– L. Permentier, De Taalunie communiceert slecht. Buitenstaanders evalueren werking op vraag van minster Van Grembergen, in: De Standaard, 29 januari 1991.
– Het verdrag inzake de Nederlandse Taalunie, 1998.
– Nederlandse Taalunie, De taalgebruiker centraal: Nederlandse Taalunie 2003-2007, Den Haag, 2003.
– M. van Oostendorp, Language Planning in the Low Countries (1996-2005): The Dutch Language Union, in: Sociolinguistica, jg. 21, 2007, nr. 1, pp. 78–98.
– Nederlandse Taalunie, Nederlands zonder drempels. Meerjarenbeleidsplan 2008-2012, 2007.
– K. Absillis, Nederlandse Taalunie 30 jaar, in: Knack, 8 september 2010.
– L. Martens, E. Weber, Het debat tussen 'groene spellers' en 'witte spellers' geëvalueerd vanuit een sociaal-epistemologische invalshoek, in: Ethiek en maatschappij, jg. 14, 2012, nr. 4, pp. 61-78.
– Nederlandse Taalunie, De nieuwe Taalunie. Beleidsplan 2015-2020, 2014.
– Nederlandse Taalunie, Meerjarenbeleidsplan 2020-2024, Den Haag, 2020.
– T. Vanheste en D. Stoop, Dreigt de Taalunie het noorden kwijt te raken?, 22 februari 2023. [https://www.de-lage-landen.com/article/dreigt-de-taalunie-het-noorden-kwijt-te-raken] [geraadpleegd op 20 augustus 2024]
– R. Vosters, De Taalunie heeft een nieuw, groot maatschappelijke streven nodig, 15 juli 2024. [https://www.de-lage-landen.com/article/de-taalunie-heeft-een-nieuw-groot-maatschappelijk-streven-nodig] [geraadpleegd op 20 augustus 2024]
– T. Vanheste,Gunther Van Neste, de nieuwe baas van de Taalunie: “Alles begint bij taal”, 4 december 2014. [https://www.de-lage-landen.com/article/gunther-van-neste-de-nieuwe-baas-van-de-taalunie-alles-begint-bij-taal/] [geraadpleegd op 4 december 2014]
– M. Ooms, Nederlandse Taalunie, in: Van Vogola tot noncha. Het historische verhaal van de Nederlandse taal, 2025, pp. 361-368.

Suggestie
Citeren

1998: Iris Steen (pdf)

2024: Camilla Pargentino / Nico Van Campenhout

Databanken

Inhoudstafel