Vlaamsche Tooneelgemeenschap

Organisatie

De Vlaamsche Toneelgemeenschap (1926-1929) wilde onder impuls van Rudolf Roels en KNS-directeur Oscar de Gruyter een Vlaamse gemeenschapskunst realiseren met hoogstaand theater voor een breed publiek.

Oprichting
1926
Stopzetting
1929
Leestijd: 2 minuten

Met de Vlaamsche Tooneelgemeenschap (1926-1929) probeerde Rudolf Roels – met medewerking van Oscar de Gruyter De Gruyter, Oscar De Gruyter, Oscar Theatermaker Oscar de Gruyter (1885-1929) lag aan de basis van de in flamingantische middens legendarische gezelschappen het Fronttoneel en het Vlaamsche Volkstooneel, dat hij begin jaren... Lees meer , directeur van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) De Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) (1853-1998) in Antwerpen gold lange tijd als het belangrijkste Nederlandstalige theatergezelschap van België. In 1998 ging de KNS op in het Ton... Lees meer (KNS) in Antwerpen – om een Vlaamse gemeenschapskunst te realiseren, naar het Duitse voorbeeld van de Volksbühne. Het doel was hoogstaand theater voor een zo ruim mogelijk publiek van werkers. Theater diende daarbij als ‘volksuniversiteit’.

De Vlaamsche Tooneelgemeenschap zette in op het uitkopen van een serie voorstellingen aan gunstige voorwaarden, het organiseren van een talrijk publiek van diverse afkomst en het verwerven van invloed met het oog op een concreet repertoire en een cultureel-programmatische stijl.

Tijdens het eerste seizoen gold er nog een dubbel bezoektarief voor de leden. Tijdens het tweede seizoen werd een volstrekte eenheidsprijs ingevoerd en werd donderdag als vaste speeldag vastgelegd. Aanvankelijk werd de onderneming geestdriftig door de pers gevolgd: de organisatie van een hecht blok theatergegadigden leek de dynamische organisatie van een volwassen Vlaamse theatercultuur te waarborgen. Maar al na korte tijd ontstond er enige teleurstelling. De Vlaamsche Tooneelgemeenschap bleek immers vooral toeschouwers aan te trekker die daarvoor ook al naar het theater kwamen. Nieuwe bezoekers werden nauwelijks gewonnen. De concentratie van dat bekende toeschouwersbestand op vaste voorstellingen verminderde ook de financiële opbrengst van de directie. Bovendien leidde de bundeling onmiskenbaar tot elitaire vorming van een kring; het zelfbewustzijn van een aantal leden (onder wie vele onderwijsmensen) bedreigde zelfs de autonome beleidslijn van de directeur. Het Volksbühnebeginsel was uitgehold; met name de arbeiderskringen raakten niet voldoende geïntegreerd. De proletarisch-culturele grondslag van dit opzet is niettemin in het theater in Vlaanderen uniek gebleven.

Literatuur

– D. Roels, Het ware volkstooneel, in: Het Tooneel, jg. 11, 1925-1926, nrs. 19-21, 24-25.
– D. Roels, De Vlaamsche Tooneelgemeenschap, in: Het Tooneel, jg. 11, 1925-1926, nr. 41.
– V. Brunclair, De Vlaamsche Tooneelgemeenschap, in: Het Tooneel, jg. 12, 1926-1927, nr. 4.
– D. Roels, Vlaamsche Tooneelgemeenschap. Toespraak bij 1e vertoning, in: Het Tooneel, jg. 12, 1926-1927, nr. 7.
– D. Roels, Dr. De Gruyter's betrekkingen tot de Vlaamsch Tooneelgemeenschap, in: Dr. Jan Oskar De Gruyter. 1885-1929. Zijn levenswerk, 1934, pp. 283-292.

Suggestie
Citeren

1975: Carlos Tindemans (pdf)

1998: Geert Opsomer (pdf)

2023: Redactie

Inhoudstafel