Leger
De taalkwestie speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van het Belgische leger. Als een van de weinige echt nationale instellingen was het leger een brandpunt van diverse sociaal-politieke debatten in België. Taal en de Vlaamse beweging vormt daarvan slechts één voorbeeld.
Mario Draper (2026). Leger. In: Encyclopedie van de Vlaamse beweging. 2026. https://devb.be/id/ter-001201.
De rol van het Belgische leger als 'school van de natie' werd voortdurend in gevaar gebracht door de aanhoudende taalkwesties binnen de staat. De decreten van de Voorlopige Regering van oktober 1830, die het gebruik van het Frans boven het Nederlands promootten in zowel militaire als civiele aangelegenheden, hadden gevolgen die tot op de dag van vandaag voelbaar zijn. Ondanks meer dan een eeuw van pogingen tot hervorming en twee wereldoorlogen, werd het uiteindelijke doel van de Vlaamse beweging, taalgelijkheid, slechts na een grillig en moeizaam parcours gerealiseerd. Gedurende die periode van taalstrijd klonk de roep om een ruimer gebruik van het Nederlands onder het overwegend Franstalige officierskorps, training in de moedertaal van de soldaat en taalexclusieve compagnieën, bataljons, regimenten of divisies steeds luider. Op die manier stelde het debat over de militaire hervorming de essentie en levensvatbaarheid van de Belgische natie zelf in vraag.
Introductie
De taalkwestie heeft lange tijd centraal gestaan in de geschiedenis van het Belgische leger en, bij uitbreiding, in het bredere begrip van de natie zelf. Als een van de weinige echt nationale instellingen die de regionale, culturele, confessionele en politieke scheidslijnen van de bevolking overstegen, was het leger vaak de smeltkroes waarin het taaldebat zich afspeelde.
Ten tijde van de Belgische Revolutie
Belgische Revolutie De Belgische Revolutie is de naam van de opstand van 1830-1831 in de zuidelijke provincies van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden van koning Willem I. De opstand leidde tot de splits... Lees meer van 1830 bestond het afgescheiden deel van de Zuidelijke Nederlanden uit een overwegend katholieke bevolking van Nederlandstaligen en Franstaligen, ruwweg gescheiden door een taalgrens
Taalgrens Het begrip ‘taalgrens’ verwijst in het algemeen naar een grens die twee bevolkingsgroepen die een verschillende taal spreken van elkaar scheidt en in het bijzonder naar de grens tussen he... Lees meer van oost naar west. De Franstalige bourgeoisie domineerde het openbare leven in de grote steden aan weerszijden van deze taalgrens. Ondanks schommelingen in de loop van de 19de en 20ste eeuw sprak ongeveer twee derde van de bevolking Nederlands (of een regionaal dialect daarvan) als eerste taal. De Belgische Voorlopige Regering bepaalde echter al op 16 en 27 oktober 1830 dat de voertaal in het leger en de taal van het burgerlijk bestuur
Bestuur Het taalgebruik in het bestuur is een centraal aspect van de Belgische taalkwestie. Het omvat het proces van het afdwingen van taalrechten voor Vlamingen evenals de bestuurstaalwetgeving ... Lees meer voortaan Frans was.
De gevolgen van deze beslissing waren enorm, hoewel ze mogelijk niet alle zichtbaar waren voor de Franstalige burgerlijke elites die aan het hoofd stonden van de revolutionaire beweging in 1830. Een van de belangrijkste gevolgen was dat het leger voor het grootste deel van de eeuw een verfranste — en verfransende – instelling werd: dit tot grote ontsteltenis van een groep Nederlandstalige Belgen die zich steeds meer bewust werden van hun collectieve identiteit, gestoeld op taal
Taal De ontwikkeling van het Nederlands vormde tot diep in de 20ste eeuw een fundamenteel aandachtspunt in de Vlaamse beweging. De wijze waarop het geschreven en gesproken Nederlands gehanteer... Lees meer , cultuur, religie en, tot op zekere hoogte, antimilitarisme. Hoewel er in de loop van de 19de eeuw pogingen werden ondernomen om de taalongelijkheid tegen te gaan, waren de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog
Eerste Wereldoorlog De Vlaamse beweging is fundamenteel getekend door de Eerste Wereldoorlog. De oorlog maakte een verregaande democratisering onafwendbaar, met wezenlijke gevolgen voor het politieke draagv... Lees meer en de opkomst van een militantere Vlaamse beweging in de jaren nadien nodig om blijvende veranderingen teweeg te brengen. Ondanks de vooruitgang die de Vlaamse beweging eind jaren 1920 en begin jaren 1930 boekte op het vlak van taalwetgeving Taalpolitiek en -wetgeving Situaties van taalonderdrukking vindt men wereldwijd. Daarom besteedt deze bijdrage eerst aandacht aan gehanteerde taalpolitieke strategieën. Ook in België verzette een gedomineerde taalg... Lees meer , bleef de taalkwestie tot diep in de 20ste eeuw de sociale, politieke en militaire agenda's domineren. Gezien de centrale rol die taal speelde in de geschiedenis van de natie, is het niet verwonderlijk dat het taaldebat binnen het leger uitgebreid aan bod kwam in de militaire geschiedschrijving van België.
Het leger
Voor we het taaldebat in zijn militaire context situeren, is het zinvol om te schetsen hoe het Belgische leger als instelling functioneerde. In de beginjaren bestond dat leger uit vrijwillige strijders, burgerwachten en eenheden die vroeger in Nederlandse dienst waren geweest en die in de periode 1830-1831 werden samengevoegd tot een meer reguliere strijdmacht. Het Belgische leger was grotendeels gebaseerd op het Nederlandse model. Om de administratie en organisatie in oorlogstijd te vergemakkelijken, rekruteerde het Belgisch leger nationaal om taalkundig gemengde regimenten te vormen. Vrijwilligers werden aangevuld met dienstplichtigen via het systeem van loting (in de volksmond de loterij genoemd), waarbij de gezonde (mannelijke) jeugd van de natie door lotjes te trekken uitmaakte wie in militaire dienst ging. Deze praktijk bleek om verschillende redenen zeer impopulair. Hoewel iedereen voor de wet gelijk leek te zijn, konden rijke individuen aan de dienst ontsnappen door plaatsvervanging en substitutie (een overblijfsel van de Franse wet van 1798 en de Nederlandse wetten van 1815 en 1817). Zo werd het lotingsysteem bekend als de 'Bloedbelasting', die vooral leden van de sociaal- economisch
Economie Dit artikel gaat over de relatie tussen economie en Vlaamse beweging. Daarmee beoogt deze tekst geen economische geschiedenis te schetsen van wat we vandaag Vlaanderen noemen. Integendee... Lees meer laagste klassen trof, die onder de landelijke boerenbevolking van Vlaanderen oververtegenwoordigd waren. Tegen de achtergrond van de opgelegde en gegarandeerde eeuwigdurende neutraliteit van België, was er bovendien een wijdverspreid geloof ontstaan dat militaire dienst een verspilling van krachten was. Dit leidde tot een diepgeworteld antimilitarisme, dat langetermijngevolgen zou hebben voor de toekomst van de legerhervorming.
In de loop van de 19de eeuw werden jaarlijks 10.000 tot 13.300 mannen van 20-jarige leeftijd opgeroepen om een leger te vormen dat in oorlogstijd gewoonlijk ongeveer 100.000 man telde. De duur van de diensttijd veranderde regelmatig in de loop van de 19de en 20ste eeuw en varieerde naargelang de tak van het leger waar een soldaat werd ingedeeld. Vijf tot acht jaar actieve dienst was niet ongewoon in het midden van de 19de eeuw, hoewel de tijd onder de wapenen om praktische en economische redenen vaak veel korter was. Na een periode in achtereenvolgens de actieve en de algemene reserve rondde een soldaat zijn diensttijd af op 35-jarige leeftijd. Soldaten konden er vervolgens zelf voor kiezen om opnieuw in dienst te gaan. Slechts een minderheid maakte ooit gebruik van deze mogelijkheid. Speciale vrijstelling voor medische studenten stelde hen in staat om hun dienst te volbrengen in zes (later acht) jaar tijdens hun studie, terwijl seminaristen en leraren in hun vrije tijd een opleiding tot brancarddrager konden volgen. Pas met de invoering van de dienstplicht aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog veranderden de dienstvoorwaarden, de grootte en de samenstelling van het leger drastisch. Een korte diensttijd werd ingevoerd om de enorme toename van het jaarlijkse contingent op te vangen, dat na de wet van 1913 tot 33.000 steeg.
In de regel resulteerde de nationale rekrutering in regimenten met gemengde taal, die vaak over garnizoenen in heel België rouleerden om de dienende jongemannen de burgerlijke en nationalistische deugden beter bij te brengen. De uitzondering vormden de universitaire compagnieën, die in de grote steden van het land gelegerd waren en vrijwel geen contact hadden met de rest van het leger. Na verloop van tijd veranderden experimenten met regionale rekrutering en eentalige eenheden de aard en de ervaring van de dienst. Complicaties op het niveau van compagnieën, bataljons, regimenten en divisies leidden echter vaak tot felle tegenstand binnen én buiten het leger. Tot de Eerste Wereldoorlog telde een compagnie 75 tot 250 man, waarbij twee tot vier compagnieën een bataljon vormden. Twee tot zes bataljons vormden samen een regiment. Na 1918 vormden drie (hoewel soms vier) pelotons een compagnie en drie compagnieën, samen met de staf en de mitrailleurcompagnie, een bataljon. Drie van zulke eenheden, met hun staf en hulptroepen vormden een regiment, variërend van 1.100 man in vredestijd tot 3.500 man in oorlogstijd. Drie regimenten vormden een divisie. Het aantal officieren in een divisie varieerde van 64 tot 110.
Wat het officierskorps betreft, was het Belgische leger overwegend een burgerlijk bolwerk met een sterke Franstalige inslag. Toch zorgden de aanwezigheid van een aantal leden uit de adel en een systeem dat promotie vanuit de rangen aanmoedigde voor een zekere diversiteit in de samenstelling, die veel meer aan het Franse leger deed denken dan aan dat van Pruisen. De Franse invloed op het Belgische leger bleek inderdaad uit allerlei aspecten: van de integratie van buitenlandse officieren – voornamelijk Fransen en Polen, maar ook anderen – tot de oprichting van de École Militaire naar het voorbeeld van Saint Cyr. In het Belgische leger verankerde zich op die manier vanaf de jaren 1830 een Franse militaire traditie die tot minstens de jaren 1870 standhield. De dominantie van het Frans (als voertaal, instructietaal en taal voor opwaartse mobiliteit) bleef echter veel langer bestaan. Benoemingen in het leger werden steeds meer gekoppeld aan een formele militaire opleiding (in het Frans), terwijl promoties deels werden bepaald door anciënniteit en deels door koninklijke patronage. Bovendien reikte de invloed van het hof nog veel verder wanneer men bedenkt dat de portefeuille van minister van Oorlog vaak in handen was van een generaal in plaats van een politicus. Gezien de neutrale status van België verliep promotie vaak pijnlijk traag. Het dwong veel jonge aspirant-officieren om elders op zoek te gaan naar een hogere rang. Sommigen accepteerden commissies of administratieve functies in de Onafhankelijke Congo Congo Lees meer staat van Koning Leopold II
van Saksen-Coburg, Leopold II Leopold II (1865-1909) is vooral bekend gebleven voor zijn bewind over het Congogebied. In de Belgische politiek stond hij neutraal in de levensbeschouwelijke kwesties maar ijverde voor d... Lees meer , maar anderen wezen een militaire carrière helemaal af, waardoor het leger juist dat segment van ambitieuze hoger opgeleide jonge mannen dreigde af te stoten waar het rond de overgang naar de 20ste eeuw zo’n nood aan had.
De school van de natie
Het leger was een belangrijk instrument voor natievorming. De revolutie van 1830 had de diverse culturele, ideologische en politieke strekkingen binnen de zuidelijke Lage Landen tijdelijk verenigd in het verzet tegen het Nederlandse economische en religieuze beleid. Nu het jonge België
België Geen Vlaamse beweging zonder België. Het is ook onmogelijk om België te begrijpen zonder de geschiedenis van de Vlaamse beweging erbij te betrekken. Tussen het ontstaan van een culturele ... Lees meer zijn zelfstandigheid had veroverd, vormden de onderlinge verschillen op het gebied van taal, cultuur en geloof echter potentiële obstakels voor de nationale eenheid. Een kleine minderheid in de zuidelijke gebieden verkoos de zekerheid van een Franse annexatie boven het precaire experiment van het Belgische staatsburgerschap. We mogen ook niet vergeten dat het orangisme Orangisme Het orangisme is de verzamelterm voor het verzet tegen de Belgische afsplitsing van het Koninkrijk der Nederland onder leiding van Willem I van Oranje. Lees meer – de wens om België met Nederland Nederland Nederland is met Vlaanderen verbonden door de economische infrastructuur, de taal en de geschiedenis. Vanaf eind 18de eeuw kreeg die verbondenheid in taal en cultuur op uiteenlopende mani... Lees meer te herenigen – in de jaren 1830 een permanente dreiging uitoefende. Alleen de onderdrukking van contrarevolutionaire activiteiten, het aantreden van een aanvaardbare monarch in de gedaante van Koning Leopold I
van Saksen-Coburg, Leopold I Leopold I (1790-1865) was de eerste koning der Belgen. Hij werd als prins uit het hertogelijk huis van Saksen-Coburg-Gotha in 1831 vanwege zijn uitgebreid Europees netwerk tot de Belgisch... Lees meer en de twee Verdragen van Londen (1831 en 1839) konden ervoor zorgen dat België een onafhankelijke, unitaire staat bleef. Toch vond – zoals Els Witte heeft betoogd – de notie van een welomlijnde Belgische identiteit slechts geleidelijk ingang.
Nationale rekrutering en gemengde regimenten waren in dit verband een voor de hand liggende oplossing. Het Belgische leger moest, zoals Richard Boijen het verwoordde, de 'smeltkroes' van de natie worden. Het leger bracht mensen uit het hele land samen, die vervolgens werden ingedeeld in garnizoenen ver weg van hun thuisprovincies, waar ze geschoold werden in de morele plichten en deugden van het burgerschap. Dit gold als de sleutel om het ingesleten parochialisme te vervangen door een nationale identiteit. Bram Dierckx en Josephine Hoegaerts hebben bovendien de stelling ontwikkeld dat openbare jaarlijkse manoeuvres een belangrijke rol speelden bij de profilering van het leger als 'het representatieve spiegelbeeld van de natie in plaats van simpelweg haar beschermer'. Het Italiaanse leger hanteerde na de eenwording in 1861 vergelijkbare mechanismen om de kloof tussen Noord en Zuid te overbruggen. In België werd deze missie in de loop van de 19de eeuw echter bemoeilijkt door de taalkwestie, die gaandeweg ook een partijpolitieke dimensie kreeg.
Het Belgische leger, dat in vredestijd uit ongeveer 45.000 man bestond en over 35 garnizoenssteden verspreid was, kende een groot aantal lokale dialecten en patois die de taalsituatie nog ingewikkelder maakten en de tegenstelling Nederlands-Frans overstegen. Bijgevolg kon de invoering van het Frans als voertaal allerlei problemen veroorzaken – zij het vooral bij bepaalde groepen Vlamingen, die zich op het vlak van taal veel meer vervreemd voelden dan hun Waalse tegenhangers.
Al in de jaren 1830 werd de taalkwestie in het leger een onderwerp van discussie in militaire en parlementaire kringen. De weigering van generaal Louis Evain in 1833 om de nieuwe instructies voor de infanterieopleiding in het Nederlands te laten vertalen
Vertaling De Vlaamse beweging onderhield in de lange 19de eeuw een complexe relatie tot vertaling door overheidsinstanties. Terwijl vertalingen bijdroegen tot het voortbestaan en de ontwikkeling va... Lees meer , zette de relaties tussen officieren en manschappen onder grote druk, terwijl de motie van François Delanghe om van het Nederlands in plaats van een facultatief een verplicht vak te maken voor cadetten aan de militaire academie in 1837 veel stof deed opwaaien in het parlement. Het wetsvoorstel werd nipt aangenomen (37 tegen 34), maar resulteerde slechts in de toevoeging van één uur Nederlands per week aan het curriculum. Pas in 1847 werd elementaire kennis van het Nederlands vereist voor het toelatingsexamen – hoewel dit vervangen kon worden door een gelijkwaardige beheersing van het Duits of het Engels. Het Frans bleef dominant in het officierenkorps. Nederlandstaligen die een hogere positie ambieerden, waren benadeeld, tenzij ze zelf ook Frans leerden.
Het duurde echter tot het midden van de jaren 1850, toen het katholieke ministerie van Pierre de Decker De Decker, Pierre Pierre J.F. de Decker (1812-1891) was een katholiek-liberale en Belgisch patriottische schrijver en politicus, die tot de eerste generatie flaminganten behoorde. Lees meer het land regeerde, voor er een gecoördineerde inspanning werd geleverd om de taalongelijkheid binnen het leger aan te pakken. Tot op dat moment was de bevolking van Vlaanderen vrij passief wat de taalwetten betreft, ondanks de duidelijke beperkingen die ze met zich meebrachten in het dagelijkse leven. Dit alles kwam aan het licht met de Vlaemsche Commissie
Vlaemsche Commissie De Vlaemsche Commissie of Grievencommissie inventariseerde op vraag van de regering in 1856-1857 voor de eerste keer de problemen in verband met de positie van het Nederlands in België en... Lees meer van De Decker in 1857 (de zogenaamde Grievencommissie), die een reeks vernietigende rapporten uitbracht over de toestand van de natie en het leger. Hoewel sommige historici hebben gesuggereerd dat de aanbevelingen van de Commissie allesbehalve radicaal waren – gezien het feit dat ze niet streefden naar, noch erkenden dat er afzonderlijke geografische/taalkundige gebieden waren, maar eerder keuzevrijheid en tweetaligheid Tweetaligheid Lees meer promootten – was de realiteit enigszins anders. De invoering van regionale aanwerving, die door Lucien Jottrand
Jottrand, Lucien Lucien Jottrand (1804-1877) was een progressieve, Vlaamsgezinde democraat. Hij ijverde voor het algemeen stemrecht, waarin volgens hem de sleutel voor een complete Waalse en Vlaamse geli... Lees meer werd voorgeteld en die sterk gesteund werd door Hendrik Conscience
Conscience, Hendrik Hendrik Conscience (1812-1883) was de eerste auteur die het in België aandurfde een roman in het Nederlands te schrijven en te publiceren. Zijn oeuvre van zo’n 65 romans, dat ook een bred... Lees meer en Ferdinand Snellaert, was geen onbelangrijke ontwikkeling. Als het voorstel werd aangenomen, dreigde het de organisatie van het leger en zijn rol als instrument voor natievorming fundamenteel te veranderen.
Het ministerie van De Decker werd in november 1857 opgevolgd door de liberale regering van Charles Rogier
Rogier, Charles Charles Rogier (1800-1885) was een liberale politicus die meermaals een functie als minister of regeringsleider bekleedde. In zijn streven naar een sterke, geünificeerde en op termijn een... Lees meer , die zich onmiddellijk verzette tegen veel van de bevindingen van de Grievencommissie. Dit was vooral het geval met betrekking tot het leger. Regionale rekrutering werd afgewezen, omdat dit principe de pogingen om een verenigde en verenigende nationale identiteit te smeden zou ondermijnen. De gemengde regimenten moesten daarom worden behouden en het Frans zou, voorlopig althans, de enige voertaal van het leger blijven.
In zekere zin kan de politisering van de militaire hervorming teruggebracht worden tot deze gebeurtenis. Naarmate de eeuw vorderde, nam de Katholieke Partij
Katholieke Vlaamsche Volkspartij (KVV) De Katholieke Vlaamsche Volkspartij was de Vlaamse vleugel van het Blok der Katholieken van België, opgericht op 11 oktober 1936 met als Franstalige tegenhanger de Parti catholique social... Lees meer steeds meer een onverzettelijk standpunt in tegenover militaire hervormingen. Na de Pruisische successen van 1866 en 1870-1871 verkende de Liberale Partij Liberale Partij (1846-1961) Lees meer voorzichtig de wens van het leger om het lot te vervangen door een korte dienstplicht. De Katholieke Partij verzette zich daartegen om redenen van economie, noodzaak, godsdienst en, bij uitbreiding, taal
Taal De ontwikkeling van het Nederlands vormde tot diep in de 20ste eeuw een fundamenteel aandachtspunt in de Vlaamse beweging. De wijze waarop het geschreven en gesproken Nederlands gehanteer... Lees meer , daarbij gesteund door het Franstalige burgerlijke electoraat in Vlaanderen. Door de opkomst van de antimilitaristische, anti-royalistische en Vlaamsgezinde Meetingpartij
Meetingpartij De Meeting (1862-1914) was een Antwerpse politieke formatie die ontstond uit een coalitie van flaminganten, progressieve liberalen en katholieken. Ze liet zich kenmerken door een uitgespr... Lees meer in Antwerpen, die zich op traditioneel katholieke electorale domeinen begon te manifesteren, kwam de Katholieke Partij verder onder druk te staan. De boerenstand, zo werd geargumenteerd, werd al onevenredig zwaar belast door de 'Bloedbelasting'. De dienstplicht dreigde die last nog te vergroten en bovendien de taaldiscriminatie nog te verscherpen. De dienstplicht hield in conservatieve ogen het risico in van been radicale breuk met de traditionele katholieke leefwereld. Door dit systeem zou immers een groter aantal vrome Vlaamse jongeren blootgesteld worden aan het ‘verdorven’ leven in de barak en aan het Waalse socialisme. Vanuit een zuiver politiek standpunt betekende de dienstplicht ook dat de Franstalige burgerlijke kiezers, op wier steun de katholieken rekenden, naar het leger werden gestuurd. Deze overwegingen bepaalden de opstelling van de katholieke partij die vanaf 1884 tot aan de Grote Oorlog de overhand hield. De behoeften van het leger en de landsverdediging werden daarbij ondergeschikt gemaakt aan het groeiende antimilitarisme van bepaalde delen van de bevolking.
Veel van de taalproblemen kwamen voort uit een van de andere grote politieke debatten van het 19de-eeuwse België: de 'schooloorlogen'. Liberalen en katholieken verschilden van mening en aanpak over onderwijs Onderwijs Lees meer , waardoor de jeugd van het land verdeeld werd tussen seculiere en katholieke scholen. Deze laatste kregen in parlementaire debatten regelmatig het verwijt vanuit liberale hoek dat ze bijzonder ongeschikt waren om goed opgeleide burgers voort te brengen, laat staan tweetalige. Vanuit militair oogpunt werd het probleem steeds nijpender doordat de complexiteit van de moderne oorlogvoering toenam. Daarin kwam namelijk een steeds grotere nadruk te liggen op het individu, dat geacht werd om snelle en juiste beslissingen te nemen op het slagveld. Terwijl het Duitse leger van 1870-1871 de oorlog met de Fransen niet alleen had gewonnen door wapengeweld maar ook door onderwijs in de klas, bleef het analfabetisme in België alarmerend hoog. La Lutte-De Strijd rapporteerde in de vroege jaren 1890 dat het analfabetisme in het Belgische leger 159 per 1.000 soldaten bedroeg. In vergelijking met Frankrijk (74) en Duitsland (2,4) was dat een alarmerend cijfer. In 1912 publiceerde Le Progrès al even verontrustende statistieken, waarvoor de erfenis van het klerikale onderwijs als reden werd aangewezen. Het nam niet weg dat het Belgische leger inzake geletterdheid een voorsprong had op de Oostenrijks-Hongaarse, Italiaanse en Russische legers van die periode.
De gevolgen waren ook voelbaar bij de jaarlijkse inlijving (opname van nieuwe leden in het leger). De 'school van de natie' kon maar roeien met de riemen die ze had en critici klaagden dat er meer tijd werd besteed aan het ongedaan maken van de schade van het klerikale antimilitarisme dan aan essentiële militaire training. Hoewel er vanaf 1867 regimentsscholen werden opgericht om lager onderwijs
Lager onderwijs De ‘taalstrijd’ in Vlaanderen is op het niveau van het lager onderwijs minder problematisch verlopen dan op dat van het middelbaar en van het hoger onderwijs. Toch was de verfransing van ... Lees meer te bieden aan wie dat nodig had, wierp dit weinig of geen vruchten af onder de Nederlandstaligen, aangezien het onderwijs uitsluitend in het Frans werd gegeven. De vooruitgang was dan ook traag. In tegenstelling tot Frankrijk
Frankrijk & Vlaanderen De verhouding tussen Vlaanderen en Frankrijk werd altijd gekenmerkt door een aanzienlijke dubbelzinnigheid. Hoewel er lange tijd een grote affiniteit met de Franse cultuur bestond, werd d... Lees meer , waar een combinatie van educatieve en militaire hervormingen (in de vorm van algemene dienstplicht en de afschaffing van de plaatsvervanging) werd doorgedrukt in de nasleep van 1870, stond de vrees dat gelijkaardige ontwikkelingen in België de roep om algemeen kiesrecht voor mannen zouden aanwakkeren het liberale streven naar verandering in de weg.
Ondanks het feit dat een aantal jonge Vlaamse officieren zich uitspraken tegen de taalwetten in het leger, bleef het Frans niet alleen de taal van de bevelen, maar ook die van de carrièrekansen. Voor jonge Vlaamse officieren was Frans een conditio sine qua non om hogerop te geraken. Principes of een schijnbaar verloren zaak waren het niet waard om carrières voor op het spel te zetten, zeker gezien de moeite die het kostte om benoemd te worden. De meesten moesten zich namelijk kwalificeren en slagen voor de militaire academie, die naarmate de 19de eeuw vorderde een steeds groter aandeel had in de benoemingen van de officieren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Frans tot lang na de Eerste Wereldoorlog
Eerste Wereldoorlog De Vlaamse beweging is fundamenteel getekend door de Eerste Wereldoorlog. De oorlog maakte een verregaande democratisering onafwendbaar, met wezenlijke gevolgen voor het politieke draagv... Lees meer de voertaal in het leger was, terwijl het Nederlands een vergelijkbaar – of zelfs lager – belang innam dan het Duits en het Engels. Toelatingsvereisten in 1864 verplichtten nog steeds een basiskennis van de tweede taal, hoewel het Nederlands op verzoek van de kandidaat kon worden vervangen door Engels of Duits. Bovendien werd Nederlands kwantificeerbaar lager gewaardeerd dan andere vakken, met een score van 3. Daarentegen werd Frans gewaardeerd met een score van 8, Latijn met 6, Duits met 5 en Engels met 4. Alleen tekenen was goed voor een lagere score (1). Pogingen om Nederlands steviger in het leger te verankeren als onderdeel van het toelatingsexamen of het curriculum werden afgewezen op basis van het argument dat dit moedertaalsprekers van het Frans oneerlijk zou benadelen. Tweetaligheid bestond dan wel in het Belgische officierskorps, maar het ging maar in één richting.
Dit zou een verklaring kunnen zijn voor de recente bevindingen van Mario Draper over het dalende aandeel van Nederlandstalige officieren in het laatste kwart van de 19de eeuw. Moedertaalsprekers van het Frans waren altijd al oververtegenwoordigd in de officiersklasse, maar deze groep leek volledig immuun voor de bevolkings- en taalverschuivingen van de jaren 1880 en 1890. Nu de tweetaligheid toenam, werd het aandeel van de overwegend Nederlandstalige officieren kleiner. Hierdoor verhevigden de debatten over taalgelijkheid , op een moment dat de uitbreiding van het stemrecht in 1893 leidde tot een zelfbewustere en beter gecoördineerde Vlaamse beweging. Met een ruimere Vlaamse vertegenwoordiging in het parlement in de schoot van een grote katholieke meerderheid konden de schijnwerpers worden gericht op de onopgeloste taalkwesties binnen het leger en, in het bijzonder, de militaire academie.
De vooruitgang was traag, ondanks een toename van het onderwijs in de Nederlandse taal vanaf 1887-1888 en de invoering van verplicht elementair Nederlands op het toelatingsexamen vanaf 1 januari 1892. In 1890, bijvoorbeeld, spraken slechts 12 van de 64 onderluitenants die aan de academie afstudeerden Nederlands. Toch waren er aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog verbeteringen zichtbaar. Van de 496 onderofficieren die in 1913 werden bevraagd (niet noodzakelijk producten van de militaire academie), hadden ongeveer 334 een actieve kennis van het Nederlands. Slechts 18 van de 63 hogere officieren konden hetzelfde zeggen. Dit verschil kan op twee manieren worden verklaard. Ten eerste was het veel waarschijnlijker dat lagere officieren het Nederlands dagelijks nodig hadden in de communicatie met hun onderofficieren en manschappen. Ten tweede is er de theorie dat hoe hoger de officier stond, hoe waarschijnlijker het was dat hij het Nederlands dat hij geleerd had handig 'vergat'. Het doelbewust ontkennen van kennis van het Nederlands was niet ongewoon, gezien de extra werkdruk waar elke hogere officier tegen aankeek die aanspraak maakte op tweetaligheid: het voorzitten van Nederlandstalige militaire raden, administratieve taken, enzovoort.
Toch viel er aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog een sterkere impuls waar te nemen vanuit de flamingantische ‘lobby’ en ook vanuit het officierskorps. De discussies over de dienstplicht zorgden ervoor dat de taalkwesties binnen het leger terug een prominent thema werden in het publieke debat. Intussen droegen geleidelijke veranderingen in het taalprofiel van de natie (meer ‘native’ tweetaligheid), gekoppeld aan dito verschuivingen binnen de militaire academie, bij tot een langzaam evoluerende houding ten opzichte van het Nederlands binnen het officierskorps. Dit was met name het geval onder jonge officieren, van wie velen nieuwe ideeën over de verhouding tussen officieren en manschappen aannamen. Vanuit hun paternalistische zelfbeeld als 'vaders' van de natie gingen zij tweetaligheid steeds meer als essentieel beschouwen. Ondanks die toenemende steun vanuit het leger bleef de taalkwestie politiek gezien echter voor verdeeldheid zorgen. Er stond immers meer op het spel dan alleen het functioneren van het leger – het was in wezen een debat over de toestand van de natie.
Taal en de dienstplichtwetten
Na de Eerste Marokkaanse Crisis in 1905 (waardoor de oorlogsdreiging in Europa ernstig toenam) was er een hernieuwde impuls vanuit de dienstplichtlobby om het lotingssysteem eindelijk af te schaffen. Een experiment met vrijwillige rekrutering in 1902 mislukte en resulteerde niet in een zinvolle verandering van de werking van de 'Bloedbelasting'. Militaire hervormingen kwamen bovenaan de politieke agenda te staan, wat tot scheuringen binnen de Katholieke Partij leidde. Het uitgebreide electoraat, met zijn meervoudige stemprocedure, had de katholieken systematisch opnieuw aan de macht gebracht in de veronderstelling dat er geen verdere uitbreidingen van de militaire verplichtingen zouden volgen: 'Niemand Gedwongen Soldaat' was een bekende slogan uit die tijd. Desondanks slaagde eerste minister Frans Schollaert
Schollaert, Franz De Franstalige katholieke politicus Franz Schollaert (1851-1917) engageerde zich niet rechtstreeks in de Vlaamse beweging, maar als kamervoorzitter en eerste minister effende hij wel het... Lees meer er ondanks het weerwerk van de conservatieve leden van zijn eigen partij in om de wet op de dienstplicht van één zoon per gezin erdoor te drukken. Deze wet werd in december 1909 bekrachtigd door Koning Leopold II
van Saksen-Coburg, Leopold II Leopold II (1865-1909) is vooral bekend gebleven voor zijn bewind over het Congogebied. In de Belgische politiek stond hij neutraal in de levensbeschouwelijke kwesties maar ijverde voor d... Lees meer op zijn sterfbed. Vier jaar later superviseerde Schollaerts opvolger, Charles de Broqueville
de Broqueville, Charles Graaf Charles de Broqueville (1860-1940) was een katholiek politicus, regeringsleider (1911-1918) en minister van Oorlog (1912-1917). Hij werd na de oorlog nog enkele keren minister en wa... Lees meer , de invoering van de algemene dienstplicht. Met een voorgesteld jaarlijks contingent van ongeveer 33.000, zou het leger in 1925 tot 340.000 zijn toegenomen, waardoor het verhoudingsgewijs nauwer zou aanleunen bij dat van de buurlanden. De lange strijd van het legerestablishment om de algemene dienstplicht in te voeren werd uiteindelijk in mei 1913 bekroond.
De consequentie van deze militaire hervormingen was echter een resem katholieke sociale beleidsmaatregelen, waaronder een onpopulaire schoolwet. Dit was voldoende om het liberale/socialistische Wallonië op te zetten tegen het katholieke Vlaanderen in een geopolitiek debat dat de kern van het Belgische experiment van natievorming raakte. De politieke macht van Vlaanderen – in het bijzonder van de stad Antwerpen Antwerpen (stad) Lees meer – lag erg gevoelig en leidde tot wat sommige historici het Waalse ontwaken hebben genoemd na de zoveelste tegenslag in de algemene verkiezingen van 1912. Op 18 en 19 juni keurden de provincieraden van Luik en Henegouwen een motie goed waarin ze de intentie uitspraken om erkend te worden als autonome Waalse provincies. Op 7 juli steunde het Waalse Congres de scheiding van Wallonië en Vlaanderen en richtte het een commissie op om dit scenario te onderzoeken. Dit leidde tot de beroemde Lettre au Roi sur la séparation de la Wallonie et de la Flandre van Jules Destrée
Destrée, Jules Jules Destrée (1863-1936) was een kopstuk van de socialistische partij en de Waalse beweging, dat onder meer bekend staat om zijn ophefmakende Lettre au Roi (1912). Lees meer , waarin hij verklaarde dat 'er geen Belgen zijn. Ik bedoel hiermee dat België een politieke staat is, enigszins kunstmatig geconstrueerd, maar dat het geen nationaliteit is'. (zie Waalse beweging
Waalse beweging De Waalse beweging ontstond op het einde van de 19e eeuw en heeft zijn wortels in een culturele, politieke en taalkundige dimensie. Ze was verdeeld in verschillende stromingen, waarvan de... Lees meer ). Te midden van de debatten over de algemene dienstplicht, en daarmee ook over een grotere Vlaamse vertegenwoordiging in de rangen en standen, doken de kwesties van regionale rekrutering en taalexclusieve regimenten met ongekende kracht opnieuw op.
Daarbij was het niet de radicaliserende Waalse, maar de Vlaamse beweging die de militaire hervormingen aangreep om de taalkwestie echt op de spits te drijven. Zo probeerde Pieter Daens
Daens, Pieter Drukker Pieter Daens (1842-1918) was als broer van Adolf Daens nauw betrokken bij de daensistische beweging. Als kamerlid steunde hij de vernederlandsing van de Gentse universiteit. ... Lees meer in 1909 regionale rekrutering, eentalige eenheden een strenger taalexamen voor officieren en de toepassing van de taalwet Taalpolitiek en -wetgeving Situaties van taalonderdrukking vindt men wereldwijd. Daarom besteedt deze bijdrage eerst aandacht aan gehanteerde taalpolitieke strategieën. Ook in België verzette een gedomineerde taalg... Lees meer op bestuurszaken (1878) op het leger af te dwingen. Het amendement werd onontvankelijk verklaard en verworpen. Vier jaar later begonnen organisaties zoals de Katholieke Vlaamsche Landsbond Katholieke Vlaamsche Landsbond (KVL) (1907-1914) Lees meer en het Vlaamsch Legercomiteit Vlaamsch Legercomiteit Het Vlaamsch Legercomiteit (1909-1913) en de Vlaamsche Legercommissie (1927-1928) kwamen op voor de wettelijke vernederlandsing van het leger. Lees meer druk uit te oefenen om een taalhervorming te verkrijgen –laatst genoemde drukkingsgroep organiseerde zelfs, in samenwerking met de Gentse flamingant Alfons Sevens
Sevens, Alfons Alfons Sevens (1877-1961) was een Vlaamsgezinde onderwijzer en auteur, die onder meer medestichter was van Jong Vlaanderen (1902). Tijdens de Eerste Wereldoorlog belandde hij in de gevang... Lees meer , een grootschalige petitie en demonstratie in Brussel Brussel In de geschiedenis van de Vlaamse beweging speelde Brussel een unieke rol vanwege haar hoofdstedelijke functies, economische aantrekkingskracht en als symbool van verfransing, die zich v... Lees meer op 19 januari 1913. Verdere druk werd uitgeoefend als reactie op het wetsvoorstel over de algemene dienstplicht dat De Broqueville later dat jaar indiende en waarin de taalkwestie volgens de critici doelbewust werd genegeerd. De Vlaamse liberalen Jan Persoons
Persoons, Jan De Lokerse arts Jan Persoons (1863-1924) lag mee aan de basis van een sociaalvoelend liberalisme dat tot vandaag een belangrijke pijler vormt van de Lokerse liberale partij. Als volksvert... Lees meer , Arthur Buysse en Edouard Pecher dienden een amendement in waarin de tweetaligheid van officieren en de toepassing van de administratieve taalwet van 1878 werden geëist. Een ander amendement namens de Katholieke Vlaamsche Kamergroep streefde bovendien naar regionale rekrutering, eentalige regimenten met keuze voor Brusselse dienstplichtigen, taalscheiding in regimentsscholen en meer Nederlands in het militaire onderwijs. Ook de wallinganten mengden zich in het debat en dienden amendementen in om eentalige regimenten in te voeren, zij het met een vrije keuze voor alle dienstplichtigen – niet alleen die uit Brussel. Ze trokken echter de grens bij verplichte tweetaligheid voor het officierskorps.
De Broqueville speelde als eeuwige pragmaticus de verschillende oppositiegroepen tegen elkaar uit en wist genoeg partijoverschrijdende steun te mobiliseren om zijn dienstplichtwet in te dienen zonder veel compromissen te sluiten over de taalkwestie. Om de druk te verlichten, legde de katholieke eerste minister op 27 februari 1913 zijn taalontwerp voor, gebaseerd op het amendement van Persoons – en legde daarmee de Vlaamse liberalen het zwijgen op. Dit ontwerp maakte geen melding van regionale rekrutering, noch van eentalige regimenten, maar pleitte wel voor tweetaligheid in het officierskorps en een strengere Nederlandse toelatingseis voor de militaire academie. Ook promotie-examens moesten aandacht besteden aan Nederlandse taalvaardigheid. NCO-scholen moesten gesplitste cohorten krijgen, terwijl de basistraining een tweetalige aangelegenheid moest worden. Om de katholieke lobby's de mond te snoeren, nam De Broqueville zijn toevlucht tot weloverwogen dreigementen, waardoor de Katholieke Vlaamsche Kamergroep uiteenviel ondanks een laatste poging om een regeling voor eentalige compagnieën door te drukken.
De scherpzinnige politieke aanpak van Charles de Broqueville zorgde ervoor dat zowel de taalwet als de dienstplichtwet werden aangenomen (respectievelijk op 23 en 28 mei 1913). De Kamer van Volksvertegenwoordigers keurde de universele dienst goed met 103 tegen 62 stemmen. De Senaat bevestigde dit drie weken later met 68 tegen 27 stemmen. Het sussen van politieke en regionale pressiegroepen was slechts een kleine prijs voor deze grote doorbraak in het nationaal belang. Bovendien werd de integriteit van het leger – en bij uitbreiding het nationale project – behouden.
Ondanks de doorbraak die de taalwetten en de dienstplichtwetten van 1913 betekenden, beschouwden velen die eerste nog steeds als onvolledig. Ten eerste zouden verschillende onderdelen ervan pas op 1 januari 1917 van kracht worden. Ten tweede hielden niet alle elementen binnen het leger om zich aan de instructies die op 1 januari 1914 werden uitgevaardigd – vooral de instructie dat alle communicatie naar en met het publiek in beide talen moest plaatsvinden. Terwijl een deel van het officierskorps, zoals eerder vermeld, bereid bleek om de nieuwe voorschriften na te leven, negeerden anderen deze op flagrante wijze. Er kwam een constante stroom aan klachten binnen over het niet-consequent naleven van de taalwet, wat ertoe leidde dat de Katholieke Vlaamsche Landsbond een open brief aan De Broqueville richtte. Pas na de Eerste Wereldoorlog
Eerste Wereldoorlog De Vlaamse beweging is fundamenteel getekend door de Eerste Wereldoorlog. De oorlog maakte een verregaande democratisering onafwendbaar, met wezenlijke gevolgen voor het politieke draagv... Lees meer zou de taalkwestie in het leger ten volle aangepakt worden.
De Vlaamse beweging en de Eerste Wereldoorlog
Terwijl Duitse soldaten op 4 augustus 1914 de Belgische grenzen over marcheerden, hield Koning Albert I
van Saksen-Coburg, Albert I Koning Albert I (1875-1934) werd aan de vooravond van en tijdens de Eerste Wereldoorlog geconfronteerd met een radicaliserende Vlaamse beweging. De communautaire kwestie groeide daardoor ... Lees meer zijn beroemde toespraak voor het parlement. Daarin riep hij op tot een Godsvrede Godsvrede Godsvrede is een middeleeuws begrip dat een schorsing van de vijandelijkheden tussen verschillende partijen inhoudt. In de geschiedenis van de Vlaamse beweging werd het begrip op verschil... Lees meer en tot eenheid van de natie. Hij maakte er een punt van om naar beide taalgemeenschappen te verwijzen en roemde de heldendaden van de Vlamingen tijdens de Guldensporenslag
Guldensporenslag De Guldensporenslag was een veldslag op de Groeningekouter nabij Kortrijk op 11 juli 1302. Hierbij werd het Franse ridderleger verslagen. De slag kreeg in de Vlaamse beweging een symbolis... Lees meer in 1302 en de Zeshonderd Franchimontezen tijdens hun verdediging van Luik in 1468. Door vanaf het begin een beroep te doen op beide bevolkingsgroepen erkende de koning impliciet dat er in de jaren voor de oorlog een grote verdeeldheid aan de oppervlakte was gekomen in de sociale en militaire milieus van het land. Cruciaal was echter ook dat hij zich ontpopte als het middelpunt van de nationale eenheid, een rol die hij gedurende de oorlog met veel strategisch en propagandistisch vernuft zou blijven vervullen.
Het leger dat in 1914 ten strijde trok, was niet onaanzienlijk: het telde in totaal ongeveer 190.000 manschappen. Ondanks het feit dat de omvang van het Belgische leger vergelijkbaar was met die van het Britse Expeditieleger, heeft recent onderzoek de kwalitatieve tekortkomingen van het Belgische leger aan het licht gebracht. Tom Simoens l wees erop dat slechts 14.000 mannen echt ‘reguliere soldaten' genoemd konden worden. Voor het overige ging het om mannen die met verlof waren gestuurd of reservisten die jaren uit het leger waren geweest met weinig noemenswaardige training in de tussentijd. De meerderheid (ongeveer 117.000 mannen) was geconcentreerd in het actieve veldleger, georganiseerd in zes infanteriedivisies en één cavaleriedivisie. De infanteriedivisies waren samengesteld uit drie of vier brigades van elk twee infanterieregimenten, een cavalerieregiment en artillerie. De laatste bestond uit vijf cavalerieregimenten, een bataljon Karabiniers-Wielrijders en werd ondersteund door een detachement paardenartillerie. Ter ondersteuning van het veldleger waren er nog eens 73.000 vestingtroepen en hulptroepen, bestaande uit de zeven oudste klassen reservisten. Ze waren verbonden aan de onafhankelijke vestingcommando's in Antwerpen, Luik en Namen, die het zwaarst te lijden hadden onder de eerste gevechten.
Tegenspoed kenmerkte de oorlog in België. De Duitse invasie bracht grote ontberingen voor de burgerbevolking met zich mee, terwijl het zwaarbeproefde leger zich moest terugtrekken van zijn aanvankelijke linie aan de Maas naar Antwerpen en, later, naar de rivier de IJzer toen Franse en Britse troepen zich verder zuidwaarts in de Slag om de Grenzen mengden. Tegen de tijd dat het Belgische leger de IJzer bereikte, was het gereduceerd tot slechts 75.000 manschappen. Zij doorstonden grimmig een hernieuwde Duitse aanval die nog eens 14.000 slachtoffers kostte voordat de inundatie van de IJzer de belangrijke operaties in de omtrek tot stilstand bracht. Tot grote ontsteltenis van de Franse en Britse legers die aan hun zijde vochten, was de belangrijkste taak van het Belgische leger in de volgende jaren simpelweg om de linie te behouden, terwijl het zich herstelde.
De intense gebeurtenissen van 1914 stelden de regering in staat om de taalkwesties van het leger opzij te schuiven. De handhaving van de discipline en het herstel van het moreel waren dringender. De taalwet van 1913 werd op de lange baan geschoven. Officiële tweetalige communicatie schitterde door afwezigheid. Er werden geen aparte taalklassen ingericht in de Noord-Franse trainingskampen en Vlaamse boeken bleken een zeldzaam goed. Gevallen van oneerlijke behandeling of vernedering van Vlaamse soldaten door een overwegend Waals (of op zijn minst Franstalig) officierskorps teisterden het leger voortdurend, terwijl veel onderofficieren ook werden beschuldigd van het uitoefenen van kleinzielige tirannie. De situatie was zo alarmerend dat de Vlaamsgezinde katholieke volksvertegenwoordiger Alfons van de Perre
Van de Perre, Alfons De vermogende geneesheer Alfons van de Perre (1872-1925) speelde als actor in het flamingantische middenveld, als medeoprichter, beheerder en commentator van de krant De Standaard en als ... Lees meer zijn beklag deed bij de ministers Henry Carton de Wiart
Carton de Wiart, Henry Henry Carton de Wiart (1869-1951) was een christendemocratisch politicus die meerdere ministerfuncties vervulde. Lees meer en Prosper Poullet
Poullet, Prosper Hoewel hij afkomstig was uit een Franstalig aristocratisch milieu, realiseerde de katholieke burggraaf Prosper Poullet (1886-1937) mee de eentaligheid van Vlaanderen en leidde hij de eers... Lees meer . Aloïs van de Vyvere
Van de Vyvere, Aloïs Aloïs van de Vyvere (1871-1961) was een advocaat en katholiek politicus. Hij zetelde twintig jaar in de Kamer en vervulde meerdere ministerfuncties. Hij werkte onder andere mee aan initia... Lees meer (minister van Spoorwegen) merkte in een brief aan de Vlaamsgezinde katholieke voorman Frans van Cauwelaert
Van Cauwelaert, Frans Frans van Cauwelaert (1880-1961) was een Vlaamsgezinde katholieke politicus, die een hoofdrol speelde in de vernederlandsing van het openbare leven in Vlaanderen. Van Cauwelaert lag in 19... Lees meer op dat de Vlaamse universitairen die Nederlands durfden te spreken met hun officieren misprijzend werden bestempeld als flamingant Flamingant Flamingantisme is een term die met verschillende betekenissen wordt toegekend aan actoren binnen de Vlaamse beweging en het Vlaams nationalisme. Lees meer , en voegde eraan toe dat de 'officieren ofwel Walen ofwel Franstalige Vlamingen zijn. Hun gedachten zijn anti-Vlaams zonder dat ze het zelf weten’. Het creëerde een ongemakkelijke ervaring voor de meerderheid van de Vlaamse gewone soldaten, die gedwongen werden om ‘al doende’ een rudimentair begrip van het Frans op te pikken. Afgezaagde Franse militaire uitdrukkingen werden een echte lingua franca van het leger. Hoewel dit verre van ideaal was, kon het leger toch functioneren, zoals blijkt uit Stanislas Horvats recente studie van krijgsraadverslagen, die slechts één voorbeeld onthulde van het onvermogen van een Vlaamse soldaat om Franse bevelen op te volgen.
De taalkwestie in het leger sudderde net onder de oppervlakte en kon elk moment tot uitbarsting komen. Een van de vele problemen was de geleidelijke vervlaamsing van het leger aan de IJzer. Met het grootste deel van het land onder Duitse bezetting was het Belgische leger gedwongen om te steunen op een kleine poel van Vlaamse manschappen uit de onbezette zone en Belgische onderdanen die in het buitenland woonden – velen van hen waren vluchtelingen in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Volgens de cijfers van Henri Bernard steeg het percentage Vlaamse soldaten van 53% in 1914 tot 63% in 1918. Anderen hebben gesuggereerd dat het cijfer zelfs nog hoger kan zijn geweest en een 69/31-verdeling benaderde.
Het idee maakte opgang dat Vlaamse soldaten als kanonnenvoer werden gebruikt door hun Franstalige officieren, waardoor er onevenredig veel slachtoffers vielen in vergelijking met hun Waalse tegenhangers. Dit idee werd verspreid door de Vlaamse activist
Activisme Het begrip activisme verwijst naar de fractie van flaminganten die tijdens de Eerste Wereldoorlog bereid was om politiek of anderszins samen te werken met de Duitse bezetter en financiële... Lees meer en redacteur van Het Vlaamsche Nieuws
Het Vlaamsche Nieuws Het Vlaamsche Nieuws was een Antwerps Duits-activistisch persorgaan, dat eerst onder de naam Vlaamsche Gazet – Het Laatste Nieuws verscheen. Het werd het belangrijkste activistische perso... Lees meer in bezet België, Raf Verhulst
Verhulst, Raf Raf Verhulst (1866-1941) was een Vlaamsgezinde schrijver, journalist en docent, die tijdens de Eerste Wereldoorlog een prominente rol opeiste in het activisme. Lees meer , die de vermeende slachtoffers van de Vlaamse soldaten tegen het Belgische leger probeerde op te zetten. Hij verklaarde in 1917 dat vier op de vijf Belgische slachtoffers Vlamingen waren, wat resulteerde in de langdurige en hardnekkige verankering van de zogenaamde 80%-mythe in het naoorlogse Vlaamse bewustzijn. De historiografie Historiografie Lees meer van de jaren 1980 en 1990 probeerde dit misverstand recht te zetten. De suggestie van Luc Schepens dat 67,94% van de slachtoffers Vlamingen waren, bleek echter een grove overschatting te zijn. Het onderzoek van Hans Keymeulen en Luc de Vos leverde een cijfer van 59,28% op voor de oorlog als geheel. Hun berekeningen voor de jaren 1915-1918 toonden echter aan dat 68,81% van gesneuvelde soldaten in Vlaanderen geboren waren tegenover 31,19% in Wallonië – een duidelijke indicatie van het proces van vervlaamsing in het IJzerleger. Recenter onderzoek van Jean-Pierre Grimmeau en P. Marissal heeft deze gegevens verder verfijnd. Deze auteurs berekenen het aantal Vlaamse gesneuvelden op 69%, een aantal dat opliep tot 70,9% tijdens de slotoffensieven in de herfst van 1918. Een en ander kan de indruk hebben gewekt dat er onevenredig veel Vlamingen werden gedood, maar in werkelijkheid weerspiegelde dit in grote lijnen de verhouding tussen Vlamingen en Walen in de rangen en standen.
Dit wil niet zeggen dat er geen sprake was van taal- en andere vormen van ongelijkheid binnen het leger. Al in december 1915 werden er Vlaamse eisen voor taalgelijkheid gesteld. Toen in 1917 de Vlaamsgezinde soldaten radicaliseerden en meer gecoördineerde inspanningen ondernamen om de taalkwestie in het leger aan te kaarten (zie Frontbeweging
Frontbeweging Aan het IJzerfront manifesteerde zich tijdens de Eerste Wereldoorlog flamingantisch verzet tegen de taaltoestanden in het leger. Naarmate het zich meer en meer organiseerde en groeide, vo... Lees meer ), trok deze agitatie aan het front echter ook meer de aandacht van de militaire autoriteiten. Censoren meldden steeds meer verwijzingen naar taalkwesties in privécorrespondentie, terwijl er verschillende open brieven
Open Brieven van de Frontbeweging De Open Brieven van de Frontbeweging waren gestencilde of gedrukte clandestiene manifesten die tussen 11 juli 1917 en 11 juli 1918 aan het front werden verspreid. Daarbij mogen ook een aa... Lees meer verschenen waarin Vlaamse grieven werden geuit. Een voorbeeld hiervan was de bekende brief aan Koning Albert I op 11 juli 1917 (de verjaardag van de Guldensporenslag). De brief bevatte een reeks eisen, waaronder de oprichting van afzonderlijke Vlaamse en Waalse legers en een Vlaamse regering in Vlaanderen. Deze eisen sloten opvallend nauw aan bij de ontwikkelingen in bezet België, waar op 4 februari 1917 een activistische Raad van Vlaanderen
Raad van Vlaanderen (1917-1918) De Raad van Vlaanderen (1917-1918) was een activistisch marionettenparlement tijdens de Eerste Wereldoorlog, dat onderdeel was van de Duitse plannen om in Vlaanderen een blijvende invloed... Lees meer werd opgericht en de Duitse autoriteiten op 21 maart 1917 de administratieve scheiding van het land erkenden.
Recent werk van Karen Shelby heeft de kwestie van een Vlaams subnationalisme tijdens de Grote Oorlog meer in detail onderzocht. Haar werk over de Heldenhuldezerken Heldenhuldezerken Lees meer – Keltische kruisen die gebruikt werden om de begraafplaats aan te duiden van bekende sympathisanten van de Vlaamse zaak – heeft aangetoond dat tussen de 600 en 1.000 Heldenhuldezerken werden opgericht tijdens de oorlog, wat neerkomt op ongeveer 2% van de Belgische militaire doden tussen 1914 en 1918. Daarmee werd – weliswaar op kleine schaal – een politiek statement gemaakt: deze soldaten weigerden om nog langer mee te gaan in een collectief Belgisch verhaal. Toch zou de echte politieke toe-eigening pas plaatsvinden in de naoorlogse periode, parallel aan de doorbraak van een radicaliserend Vlaams-nationalisme.
De Belgische autoriteiten stelden zich relatief soepel op tegenover de Heldenhuldezerken. Andere activiteiten van de Frontbeweging werden daarentegen strenger aangepakt, uit angst dat ze het ongenoegen onder de soldaten zouden aanwakkeren. Discipline en moreel bleven immers van het grootste belang in een leger dat als belangrijkste functie had om de natie te belichamen door zijn voortdurende aanwezigheid op Belgische bodem. Studiekringen, waarvan werd aangenomen dat ze als ontmoetingsplaatsen dienden voor flaminganten, werden opgeheven, waardoor de beweging gedwongen werd clandestien te opereren. Alleen via religieuze congregaties konden grotere groepen samenkomen, wat leidde tot vermoedens dat katholieke militaire aalmoezeniers het epicentrum vormden van de steeds veeleisendere Frontbeweging in de tweede helft van de oorlog. Hoewel de geestelijken aan het front niet allemaal militant Vlaamsgezind waren, bevestigde onder meer de invloed van Cyriel Verschaeve
Verschaeve, Cyriel Cyriel Verschaeve (1874-1949) was een West-Vlaamse priester, literair auteur, kunstbeschouwer en publicist, die bekend werd als icoon van de Frontbeweging en het opkomende Vlaams-national... Lees meer en de verspreiding van diens Catechismus van de Vlaamse Beweging Catechismus der Vlaamsche Beweging De Catechismus der Vlaamse Beweging was een naamloos uitgegeven vlugschrift aan het IJzerfront van Cyriel Verschaeve (maart 1918). Lees meer in maart 1918 de prominente rol van sommigen onder hen. Dit pamflet riep de Vlamingen op om terug te nemen wat het Belgische politieke systeem hun zo lang had ontzegd. Publicaties als deze droegen bij tot de escalatie van de flamingantische agitatie, die van lokale grieven evolueerde tot legerbrede ontwrichting.
De benoeming van generaal Armand de Ceuninck
De Ceuninck, Armand Luitenant-generaal Armand de Ceuninck (1858-1935) was van augustus 1917 tot de wapenstilstand op 11 november 1918 minister van Oorlog in de Belgische regering. Hij aarzelde niet om discip... Lees meer als nieuwe minister van Oorlog in augustus 1917 was bedoeld om de Frontbeweging de wind uit de zeilen te nemen. In een vastberaden poging om de dominantie te herstellen die het militaire milieu aan het begin van de oorlog genoot, liet Koning Albert doelbewust de voorkeurskandidaat van het parlement links liggen en gaf hij zijn man een mandaat om de orde met alle middelen te herstellen. Desondanks leek flamingantische agitatie tijdens de komende winter haar hoogtepunt te bereiken met gecoördineerde demonstraties in maart 1918. Anders dan de ineenstorting van het keizerlijke Russische leger of de Franse muiterijen van 1917, ging het in het Belgische geval om kleine groepen van 100 tot 400 mannen, die samenkwamen om symbolen van Vlaamse solidariteit te tonen. In plaats van amok te maken, officieren te doden of te weigeren te vechten, keerde de overgrote meerderheid van de demonstranten snel terug naar hun eenheden om zich weer aan hun primaire taak te wijden: het bestrijden van de indringer en het bevrijden van hun vaderland. Bij de Belgische gezagsdragers bestonden er verschillende visies over hoe de actievoering van de Frontbeweging het best beantwoord kon worden. Koning Albert was niet bereid om tijdens de oorlog een compromis te sluiten over de taalkwestie, uit angst dat dit het moreel en het gezag van het officierskorps zou ondermijnen. Toch zijn er aanwijzingen dat hij niet helemaal immuun was voor sommige Vlaamse eisen. In vele opzichten werden de autoriteiten de noodzaak om moeilijke beslissingen te nemen bespaard door de Duitse lenteoffensieven, die de aandacht van de Belgische en geallieerde legers volledig opeisten. Enkele maanden later heroverden laatstgenoemd het initiatief en begonnen de finale overwinningsoperaties van de oorlog in het westen.
Naar een taalhervorming: Het leger en het interbellum
Terwijl er tijdens de oorlog bepaalde toegevingen werden gedaan aan de Vlaamse eisen, stagneerde de taalkwestie na de Wapenstilstand. Ten eerste was de oorlog pas formeel afgelopen na de ondertekening van het Verdrag van Versailles in juni 1919, waarna de kolossale taak volgde om tegelijkertijd het proces van wederopbouw te beginnen en te zorgen voor een bezettingsleger voor Duitsland tot 1929. Dit was niet het moment om het idee van eentalige eenheden te herzien. Het concept zelf, zo werd beweerd, zou de eenheid van de natie ondermijnen zo kort nadat ze haar zwaarste beproeving tot dan toe had moeten doorstaan. Anderen wezen enkel op de schadelijke effecten van de Frontbeweging en het activisme in het algemeen als bewijs van de onbetrouwbaarheid die Vlaamse eenheden zeker zouden vertonen.
Bruno de Wever
De Wever, Bruno Historicus Bruno de Wever (1960) is een specialist van de geschiedenis van het Vlaams-nationalisme en van de Tweede Wereldoorlog. Hij weegt sinds de jaren 1980 op het debat over het oorlo... Lees meer heeft erop gewezen dat het meer militante en separatistische Vlaams-nationalisme van de naoorlogse jaren een ‘funderingsmythe’ nodig had om zijn politieke agenda tijdens het interbellum te onderbouwen. Door de gebeurtenissen van maart 1918 te instrumentaliseren en de herinnering aan de gesneuvelde Vlamingen te manipuleren, slaagde het erin een wig te drijven in het Belgische nationale discours. De jaarlijkse IJzerbedevaarten
IJzerbedevaarten De IJzerbedevaart is een jaarlijkse herdenking van de Vlaamse gesneuvelden tijdens de Eerste Wereldoorlog, die ontstond omstreeks 1920. Dit voor de Vlaamse beweging erg symbolische gebeur... Lees meer vanaf 1920, gekoppeld aan de bouw van de IJzertoren
IJzertoren De IJzertoren is een Vlaamsgezind monument in Diksmuide, dat in 1928-1930 werd opgericht als eerbetoon aan de Vlaamse soldaten die sneuvelden aan het IJzerfront tijdens de Eerste Wereldoo... Lees meer in Diksmuide in 1930, reflecteerden eerder de naoorlogse verdeeldheid dan de grieven uit oorlogstijd.
Tegen deze achtergrond van een sterk verdeelde natie duurde het tot 1921 voor een nieuwe taalwet op bestuurszaken tot stand kwam. De taalhervorming in het leger liet nog heel wat langer op zich wachten. Voorstanders van de status quo steunden op het oude argument dat de meeste Vlamingen tevreden waren met de taalwetten zoals ze waren. Elke agitatie werd louter toegeschreven aan zogenaamde anti-patriottische krachten die het nationale project wilden saboteren.
Bij Koninklijk Besluit van 15 december 1927 werd de Gemengde Legercommissie opgericht die alle lopende militaire kwesties moest onderzoeken, inclusief de taalkwestie. Ze luisterde naar de pas hervormde Vlaamse Legercommissie, onder leiding van Jef Rombouts Rombouts, Jef Jef Rombouts (1893-1952) ijverde tijdens de Eerste Wereldoorlog als officier in het Belgische leger voor een verbetering van de situatie van de gewone Vlaamse soldaat. Hij lag mee aan de ... Lees meer (een voormalige katholieke student die na de oorlog reserveofficier bleef door zijn aanstelling in het IJzerleger). Deze commissie adviseerde de invoering van eentalige eenheden (in dit geval divisies), die door zelfstandig optreden op het slagveld de militaire prestaties alleen maar ten goede konden komen. Dit bleek te veel voor de Gemengde Legercommissie, die alleen bereid was om de volledige training van nieuwe rekruten in hun moedertaal goed te keuren, evenals taalhomogene kleine eenheden (compagnieën, met de mogelijkheid van uitbreiding naar bataljons). Regionale rekrutering per provincie werd ook opgenomen in het wetsvoorstel dat in mei 1928 door de Ministerraad werd voorbereid.
In de zomer van 1928 werd er bijna twee maanden over het wetsvoorstel gedebatteerd. 116 uur aan toespraken in 25 vergaderingen leverden niets op. Doordat het debat langs alle kanten vastgeroest was, werd elk amendement verworpen. Bijgevolg werd het ongewijzigde wetsvoorstel van de Gemengde Legercommissie op 14 september 1928 aangenomen met 92 stemmen voor en 7 tegen, met 5 onthoudingen. Dezelfde dag werd een nieuw wervingswetsvoorstel aangenomen. Hoewel deze ontegenzeggelijk een stap in de goede richting was, werd de nieuwe taalwet fel bekritiseerd, omdat het een middenweg inhield tussen de principes van tweetaligheid en eentaligheid. Regionale rekrutering en eentalige compagnieën (met uitbreidingsmogelijkheden naar bataljons) hadden immers nog steeds geen echt Vlaamse en Waalse regimenten gecreëerd – al bleef de deur op een kier staan. Bovendien bepaalde de nieuwe wet, die op 1 januari 1931 van kracht moest worden, dat alle troepen in hun eigen taal moesten worden opgeleid en gecommandeerd, wat de eenheid van commando op regiments- en divisieniveau sterk onder druk zette.
Het ongenoegen van de Vlamingen over de taalwet van 1928 werd steeds groter naarmate de uitvoeringsdatum naderde. In 1930 was er nog geen enkele aankondiging over de nakende toepassing van de wet in het leger, terwijl het incident met Joris de Leeuw
De Leeuw, Joris De Vlaamsgezinde socialist Joris de Leeuw (1909-2001) werd vooral bekend om zijn weigering Franstalige bevelen op te volgen tijdens zijn legerdienst. Zijn proces en veroordeling tot een g... Lees meer de zaken nog meer op scherp zette. De Leeuw werd ingelijfd bij het leger in het cohort 1930 (tijdens een symbolisch belangrijk eeuwfeestjaar) en kwam op 3 april voor de krijgsraad omdat hij had aangekondigd dat hij zou weigeren om bevelen in het Frans op te volgen. Dit genereerde hevige steun onder flaminganten en Vlaams-nationalisten in de Kamer van Volksvertegenwoordigers en leidde tot een demonstratie in de hoofdstad. De druk zorgde ervoor dat de Leeuw in augustus werd vrijgesproken wegens 'gebrek aan crimineel inzicht'. Later werd het door een geëngageerde geschiedschrijving zo voorgesteld alsof dit incident ertoe leidde dat het Nederlands naast het Frans de voertaal van het leger werd – of op zijn minst de invoering ervan versnelde. In werkelijkheid was het enige directe gevolg de beslissing van Charles de Broqueville (nu minister van Landsverdediging) om instructies te geven aan de militaire autoriteiten met betrekking tot de uitvoering van de taalwetten van 1928. Desondanks gebruikte hij alle middelen die in zijn macht lagen om de vorming van eentalige bataljons te vertragen, met als resultaat dat het Nederlands vanaf 1 januari 1931 alleen nog als voertaal op compagniesniveau werd gebruikt. Bevelen hogerop in de commandostructuur vielen echter onder de categorie 'relations entre officiers' en bleven voorlopig in het Frans. De Broqueville liet ook een lijst opstellen van eentalige en gemengde regimenten, die inzicht verschaft in zijn slimme manipulatie van de regelgeving om zoveel mogelijk gemengde eenheden te behouden.
Het Nederlandse weekblad De Groene Amsterdammer (30 augustus 1930) stelde Joris de Leeuw voor als een ‘Vlaamse leeuw’ die weigerde Franstalige bevelen uit te voeren. (ADVN, D12488)
De Vlaamsgezinde actievoering kreeg een impuls door de publicatie van statistieken over de taalkeuze van de dienstplichtigen van 1930. Uit de cijfers bleek dat in totaal 22.659 mensen hadden gekozen voor een opleiding in het Nederlands, 18.193 in het Frans en 256 in het Duits. In de vier Vlaamse provincies kozen er slechts 1.588 voor Frans. In de Brusselse agglomeratie kozen 1.162 voor Nederlands en 2.184 voor Frans. Deze trends zouden zich in de daaropvolgende jaren grotendeels voortzetten en versterkten het beeld dat regionale rekrutering en eentalige regimenten hand in hand gingen. Jef Rombouts en Adriaan van Coppenolle
Van Coppenolle, Adriaan Emiel Adriaan van Coppenolle (1893-1975) was een Vlaamsgezinde katholieke militair, die tijdens de Tweede Wereldoorlog vanaf februari 1943 hoofd was van de rijkswacht. Lees meer drongen er op aan dat de hervorming eenvoudig uit te voeren zou zijn en veel voordelen zou bieden – niet het minst een snellere mobilisatie, een stroomlijning van de training en een verkorting van de diensttijd. Het feit dat minder dan 8% van de rekruten in Vlaanderen koos voor een opleiding in het Frans, toonde aan dat minderheidsgroeperingen binnen regimenten gemakkelijk konden worden afgeschaft. Noch de Broqueville, noch zijn opvolger Albert Devèze (een anti-Vlaamse liberaal en voormalig officier aan de IJzer) waren echter van plan om het aantal eentalige eenheden uit te breiden. Uit een overzicht van De Standaard uit 1935 bleek dat er nog steeds twaalf gemengde eenheden waren bij de infanterie (naast elf Vlaamse en zeven Franse), drie bij de cavalerie (naast één Vlaamse en twee Franse), vijf bij de artillerie (naast acht Vlaamse en vijf Franse) en twee bij de genie (naast twee Vlaamse en drie Franse). Wat de regimentsschooleenheden betreft, waren er slechts 18 Vlaamse tegenover 43 Franse door toedoen van de Broqueville in 1930.
Sommigen binnen het leger, zoals kolonel Victor Michem, betoogden in het invloedrijke Bulletin belge des Sciences Militaires dat het anders kon. Op basis van de cijfers van 1930 en 1931 berekende hij dat het aantal eentalige eenheden aanzienlijk kon worden uitgebreid en dat alle Vlaamse eenheden konden beschikken over een Nederlandstalige schooleenheid. Alleen een ingewikkeld transfersysteem hield het grote aantal gemengde eenheden in stand, die louter om politieke en niet om militaire redenen werden gehandhaafd. Hij verdedigde wat de generale staf al langer wist: namelijk dat hoe groter de eentalige eenheden (bijvoorbeeld divisies), hoe beter het leger in het veld zou functioneren. De moeilijkheid was, zoals steeds, dat zo'n splitsing de nationale eenheid dreigde te ondermijnen – een angst die gecultiveerd werd door commentatoren als kolonel Tasnier in Le Courrier de l'Armée. In 1936 laaide het Vlaamse ongeduld opnieuw op, zowel in de pers als in het parlement, als gevolg van de vaststelling dat het leger, hoewel het inzake taalgelijkheid vooruitgang boekte, een Fransgezinde instelling bleef.
De afschaffing van het Frans-Belgisch Militair Akkoord in 1936 betekende dat België opnieuw alleen verantwoordelijk was voor zijn nationale defensie. Een verhoging van het jaarlijkse contingent was dan ook niet meer weg te denken. Vlaamse parlementariërs zagen hierin een kans om hun steun afhankelijk te maken van verdere verbeteringen in het taalgebruik van het leger. Toen de minister van Landsverdediging, generaal Henri Denis, op 16 december een nieuwe taalwet indiende, voldeed die echter niet aan de Vlaamse eisen. Een storm van kritiek barstte los, ondanks het feit dat volgende bepalingen werden voorgesteld: de militaire academie zou eindelijk worden opgesplitst in twee afzonderlijke taalafdelingen; soldaten zouden worden gegroepeerd in eentalige compagnieën, die op hun beurt zouden worden samengevoegd in regimenten met de moedertaal van de eenheid als voertaal en bestuurstaal; en strengere taalvaardigheidstests voor promoties. Radicaal Vlaamsgezinde stemmen eisten echter méér, wat het Centraal Comité voor aanzienlijke moeilijkheden stelde.
Ondertussen liet generaal Denis in mei 1937 een onderzoek uitvoeren om een grondiger beeld te krijgen van de beheersing van het Nederlands binnen het officierskorps. De verwachting was dat alle officieren in staat zouden moeten zijn om in de taal te converseren. Uit de resultaten bleek echter dat slechts 48% beschikte over wat werd beschouwd als voldoende praktische kennis van het Nederlands. Het was vooral opvallend dat er nog 207 officieren (28%) verbonden waren aan nominaal Vlaamse eenheden die niet voldeden aan de taalvereisten. Dat was nog meer het geval bij de gemengde eenheden, die 589 van dergelijke officieren telden (54%). Het neemt echter niet weg dat er nog steeds ongeveer 1.000 officieren in Franstalige eenheden en diverse ondersteunende diensten waren met voldoende kennis van het Nederlands. Verder was er sprake van een duidelijk gebrek aan Vlaamse officierskandidaten – een punt dat Denis sterk naar voren bracht toen hij werd ondervraagd over het hardnekkige taalonevenwicht. In alle opleidingscentra kozen slechts 84 kandidaten voor Vlaamse taaleenheden, tegenover 578 die de voorkeur gaven aan Franse. Bovendien schreven slechts 21 van de 500 kandidaten zich in voor het Nederlandstalige toelatingsexamen voor de militaire academie, wat Denis voldoende bewijs verschafte om te argumenteren tegen het evenredigheidsbeginsel.
Midden mei 1937 publiceerde de Centrale Commissie haar langverwachte rapport. Het leidde tot een turbulente periode van debat en politieke onzekerheid die 14 maanden zou duren tot het wetsvoorstel-Denis uiteindelijk op 30 juli 1938 werd aangenomen. In de tussentijd vielen achtereenvolgens de regeringen van Paul van Zeeland
Van Zeeland, Paul Toen hoogleraar en bankier Paul van Zeeland (1893-1973) tussen 1935 en 1937 aan het hoofd stond van de Belgische regering, werden onder andere de taalwet in rechtszaken en een amnestiewet... Lees meer en Paul-Émile Janson
Janson, Paul-Emile Paul-Emile Janson (1872-1944) was een Brussels liberaal politicus en advocaat, die in de jaren 1937-1938 premier van België was. Lees meer , waardoor de laatste ’hete hangijzers’ overgelaten werden aan de nieuwe driepartijencoalitie van Paul-Henri Spaak
Spaak, Paul-Henri Paul-Henri Spaak (1899-1972) was een Franstalige socialistische politicus die een rol speelde in talrijke communautaire kwesties. Lees meer . De belangrijkste knelpunten draaiden, zoals gewoonlijk, rond de verdeling van de Militaire Academie, de evenredigheid tussen Vlaamse en Waalse officieren, taaltesten voor officiersexamens en promoties, en de taalkundige organisatie van eenheden. Denis spande zich in om zijn oorspronkelijke wetsvoorstel te behouden, maar werd uiteindelijk op bepaalde punten overruled door de ministerraad om de ontevreden Vlaamsgezinde belangengroep onder leiding van Van Cauwelaert te sussen. Als gevolg hiervan werd de taalvaardigheidseis voor bevordering tot majoor teruggebracht tot elementaire kennis. Op 30 juni werd het wetsvoorstel uiteindelijk goedgekeurd met 117 stemmen voor en 53 tegen en een maand later werd de wet aangenomen. De wet zorgde er onder andere voor dat alle rekruten volledig in hun moedertaal werden opgeleid, dat tweetaligheid in het officierskorps behouden bleef en dat er eentalige regimenten (en zelfs divisies) werden opgericht. De belangrijkste verwezenlijking voor de Vlaamse aanhangers was ongetwijfeld de langverwachte splitsing van de militaire academie en de aanvaarding van het principe van proportionaliteit bij de rekrutering. Het zou op termijn tot meer Vlaamse officieren leiden.
Cartoonist Rik toonde zich in VOS (16 januari 1938), het weekblad van het Verbond der Vlaamsche Oud-strijders, weinig optimistisch over het naleven van de taalwet in het leger. (ADVN, VY900030)
De Tweede Wereldoorlog en zijn erfenis
De consequentie van het feit dat ze het proportionaliteitsbeginsel hadden kunnen afdwingen, was dat de Vlamingen nu de verantwoordelijkheid hadden om voldoende officierskandidaten voor de militaire academie te leveren. In de onmiddellijke aanloop naar de Tweede Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog De Tweede Wereldoorlog werd in Vlaanderen getekend door de onvoorwaardelijke collaboratie van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). De samenwerking met de bezetter en de bestraffing erva... Lees meer verschenen oproepen in Vlaamse kranten om interesse te wekken voor een militaire carrière. Tony Herbert
Herbert, Tony Tony Herbert (1902-1959) was een aanvankelijk radicaal Vlaams-nationalistische en vanaf medio jaren 1930 Belgischgezinde ingenieur en textielindustrieel met autoritaire opvattingen. Hij ... Lees meer , een Kortrijkse industrieel, behoorde tot de trouwste enthousiastelingen en richtte op 10 april 1938 de Vlaamsche Vereeniging voor Reserveofficieren Vlaamsche Vereeniging voor Reserveofficieren (VVRO) De (Vlaamsche) Vereeniging voor Reserveofficieren, een initiatief van Tony Herbert, bestond van 1937 tot 1946 en probeerde de taalverhoudingen in het Belgische leger te wijzigen ten gunst... Lees meer (VVRO) op. Mede onder impuls van Jef Rombouts steeg het aantal leden van 1.200 in 1938 tot ongeveer 3.000 bij het uitbreken van de oorlog. Gezien Herberts voortdurende strijd tegen de Franstalige tegenhanger van zijn organisatie en de traditionele flaminganten die hem als militarist bestempelden, waren dergelijke resultaten geen geringe prestatie. In een poging om officiële erkenning van het leger te krijgen, was Herbert echter verplicht om het woord 'Vlaamsche' uit de naam van de vereniging te schrappen, wat ertoe leidde dat drie prominente leden, waaronder Rombouts, ontslag namen uit het bestuur. Na de oorlog verloor Herbert ook zijn belangstelling voor de vereniging – niet het minst omdat een aantal leden zich hadden ‘verbrand’ tijdens de bezetting (zie Collaboratie
Collaboratie Collaboratie verwijst naar de samenwerking met de bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog, in casu van het Vlaams-nationalisme en een deel van de Vlaamse beweging. Lees meer ).
Ondanks de realisatie van twee Nederlandstalige infanteriedivisies in 1939 (naast een Franstalige en drie gemengde divisies), gebruikte de regering de mobilisatie en het uitbreken van de oorlog als voorwendsel om de volledige toepassing van de wet van 1938 uit te stellen. Protesten van verschillende kanten, onder andere van de jeugdvereniging Jeugdfront
Jeugdfront Jeugdfront was een politieke jongerenorganisatie in Vlaanderen, gesticht op 5 september 1937, en aanleunend bij de Katholieke Vlaamsche Volkspartij (KVV). Lees meer van de Katholieke Vlaamsche Volkspartij
Katholieke Vlaamsche Volkspartij (KVV) De Katholieke Vlaamsche Volkspartij was de Vlaamse vleugel van het Blok der Katholieken van België, opgericht op 11 oktober 1936 met als Franstalige tegenhanger de Parti catholique social... Lees meer , konden de regering op dit punt niet bewegen, noch dwingen tot een onderzoek naar de gegrondheid van deze klachten. Als compromis werd overeengekomen om een aantal Vlaamse onderofficieren uit de klas van 1936 in dienst te nemen om het Vlaamse tekort aan officierskandidaten weg te werken, maar om 'praktische redenen' bleven resultaten uit. De militaire attaché van de VS merkte op dat de generale staf de moeilijkheden die voortvloeiden uit de taalwet overwon door tactvol en discreet sommige bepalingen te negeren.
Na de campagne in mei 1940 kregen een aantal Vlaamse eenheden de schuld van hun voortijdige overgave. In het bijzonder werden Vlaamse reguliere en reserveofficieren ervan beschuldigd dat ze gefaald hadden in hun taken – een verhaal dat gelinkt werd aan Staf de Clercqs
De Clercq, Staf Staf de Clercq (1884-1942) was een Vlaams-nationalistische politicus, die zijn politieke carrière begon als kamerlid voor de Frontpartij. Hij staat vooral bekend als stichter en eerste l... Lees meer geheime Militaire Organisatie Militaire Organisatie (MO) De Militaire Organisatie (MO) werd opgericht door Staf de Clercq, leider van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), tijdens de mobilisatie na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (193... Lees meer (MO), die zou hebben bestaan uit een netwerk van agenten die bereid waren om de reactie van het Belgische leger op een Duitse invasie te saboteren. Bruno de Wever heeft echter aangetoond dat veel hiervan verzonnen was om het imago van de leider van het Vlaamsch Nationaal Verbond
Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) Het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) (1933-1945) was een rechts-radicale Vlaams-nationalistische partij die tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde met de Duitse nationaalsocialistis... Lees meer (VNV) bij de bezetter te verbeteren. Het idee dat de tekortkomingen in de prestaties op het slagveld te maken hadden met zuiver militaire aangelegenheden of inderdaad langetermijngevolgen waren van het feit dat Vlamingen geen gelijke behandeling en training kregen op de militaire academie, was voor de commentatoren in kwestie minder aanlokkelijk.
Dit alles werd niet geholpen door het feit dat een aantal Vlaamse officieren ook hun reputatie op het spel zetten door lid te wo-rden van de Nieuwe Orde-gezinde Luitenant De Windekring
Luitenant De Winde-kring (LDWK) De Luitenant De Winde-Kring was een vereniging van Vlaamse officieren in Duits krijgsgevangenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Kring kwam in de collaboratie terecht. Lees meer . Aanvankelijk bestond de kring uit een groep officieren in krijgsgevangenschap in Duitsland die trouw zwoeren aan de koning en zich verenigden om een pro-Vlaams beleid te voeren binnen het leger, maar een groep van ongeveer 120 van hen evolueerde in de richting van het nationaalsocialisme. Sommigen werden vrijgelaten en keerden naar België terug om verschillende functies te bekleden binnen (en later tegen) de nazi-bezettingstroepen, maar een minderheid werd ertoe verplicht om de kring in een extremere richting te duwen door trouw te zweren aan Hitler en vrijwillig dienst te nemen bij de Waffen SS. Een belangrijke kwestie die verder onderzoek vereist, is de communautaire impact van de vrijlating van de krijgsgevangenen. Als gevolg van de Flamenpolitik kwamen alleen de Vlaamse soldaten vrij.
De anti-Belgische Vlaams-nationalistische vleugel van de Vlaamse beweging kwam nagenoeg integraal in de collaboratie terecht waarmee ze meenden Vlaanderen te ‘bevrijden’ van België. Ze trokken een deel meer gematigde Vlaamsgezinden mee in dit avontuur.
Steunend op het diepgewortelde anticommunistische katholicisme werden ongeveer 10.000 Vlaamse vrijwilligers gerekruteerd voor de Waffen-SS, die vervolgens deelnamen aan de strijd tegen het Rode Leger (zie Oostfronters
Oostfronters Het begrip oostfronters duidt in de context van de geschiedenis van de Vlaamse beweging op Vlamingen die als vrijwilliger aan de zijde van Duitsland vochten tegen het Sovjetrussische Rod... Lees meer ). (Er moet worden opgemerkt dat voor hetzelfde doel ook een analoog Waals Legioen werd opgericht onder Franstalige Belgen en geleid door Franstalige officieren). Andere organisaties, zoals de Vlaamsche Wacht
Vlaamsche Wacht De Vlaamsche Wacht (1941-1944) was een collaborerende paramilitaire formatie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze werd ingezet in België als hulptroep van het bezettingsleger. Lees meer , zijn even opmerkelijk. Voor deze paramilitaire formatie werd gerekruteerd via het Verbond van Vlaamse Oudstrijders
Verbond VOS (VOS) Het Verbond der Vlaamse Oud-Strijders (VOS), opgericht in 1919, was een flamingantische vereniging voor oud-strijders van de Eerste Wereldoorlog, die in de loop van het interbellum tot ee... Lees meer (VOS) en vertegenwoordigde een verondersteld embryonaal Vlaams leger – hoewel het in werkelijkheid stevig onder Duits gezag stond.
Het gevolg van dit soort militaire collaboratie was dat de relatie van de Vlaamse beweging met de Belgische staat in de naoorlogse jaren nog ingewikkelder werd. Enerzijds hadden gematigde flaminganten die zich wilden distantiëren van de radicale strekking het moeilijk om zich aan het stigma te ontworstelen dat de collaborerende minderheid over de hele Vlaamse beweging had afgeroepen. Anderzijds ontwikkelde zich bij het radicale nationaalsocialistische segment, waarvan de aanhangers strenger werden berecht en veroordeeld dan de activisten na de Eerste Wereldoorlog, een gevoel van rancune. In hun beleving werden ze zwartgemaakt omdat ze zich voor Vlaanderen hadden ingezet.
Het was dan ook niet verwonderlijk dat de politieke tegenstanders van de ‘Vlaamse zaak’ de collaboratie als reden konden aanvoeren om de volledige uitvoering van de wet van 1938 verder te vertragen. Opnieuw werden de lijnen van het strijdperk getrokken. In 1947 klaagde Frank Baur
Baur, Frank Frank Baur (1887-1969) was een journalist, criticus, hoogleraar en veelgevraagd redenaar. Lees meer , senator voor de Christelijke Volkspartij Christelijke Volkspartij (CVP) Lees meer (CVP), dat er 13 Vlaamse soldaten waren voor elke 8 Franstaligen, terwijl 79% van het officierskorps onvoldoende Nederlands sprak. Twee jaar later, op het Algemeen Vlaams Congres Algemeen Vlaams Congres (1949) Het Algemeen Vlaams Congres werd georganiseerd in december 1949 op initiatief van de Vereniging van Vlaamse Studenten. Het Congres wilde Vlaamsgezinden met uiteenlopende overtuiging tot s... Lees meer (1949) in Brussel Brussel In de geschiedenis van de Vlaamse beweging speelde Brussel een unieke rol vanwege haar hoofdstedelijke functies, economische aantrekkingskracht en als symbool van verfransing, die zich v... Lees meer , dwongen Jef Rombouts’ grieven de minister van Landsverdediging, generaal Etienne de Greef, om een gemengde commissie op te richten die de taalkwestie opnieuw moest onderzoeken. Het rapport dat uit haar beraadslagingen voortkwam, bleek van grote invloed op de wet van 30 juli 1955, die de taalexamens aanscherpte en voor het eerst een taalinspectiecommissie oprichtte. Deze commissie bestond uit drie militaire en zes parlementaire vertegenwoordigers en had een adviserende functie als onderdeel van de klachtenprocedure. In tegenstelling tot veel voorgangers, ging het wetsvoorstel van 1955 zonder discussie door zowel de Kamer als de Senaat.
Vanaf 1955 nam de Vlaamse aanwezigheid binnen het officierskorps weer toe, wat resulteerde in meer Nederlandstalige dan Franstalige kandidaten voor plaatsen aan de Militaire Academie. Zoals Kris Houben heeft aangetoond, benaderde de taalgelijkheid in het officierskorps echter pas vanaf de jaren 1980 de evenredigheid. Van een basis van 31,7% (of 2.599) Vlaamse officieren in 1955, stegen de aantallen stapsgewijs tot 46% (3322) in 1967, 54,8% (3.702) in 1975 en 59,1% (4.036) in 1982. Toch was het merendeel hiervan te vinden bij de lagere officieren: de enige groep die de 60% haalde (in 1980) die nodig was om het Vlaamse aandeel in de Belgische bevolking te evenaren. Hoe hoger op de militaire ladder, hoe lager het aandeel Vlaamse officieren. Bij de hogere officieren (d.w.z. majoors, luitenant-kolonels en kolonels) bedroeg het overeenkomstige cijfer in 1980 54%, terwijl het bij de algemene officieren slechts 51% bedroeg.
Hoewel de Vlaamse vertegenwoordiging traag toenam en geenszins perfect was, ging er duidelijk een impuls uit van de uitstekende prestaties van de jonge aspirant-officieren in Vlaanderen, wier slaagpercentage tussen 1979 en 1983 75% was ten opzichte van 57% bij hun Franstalige collega's. In deze periode van vier jaar werden ongeveer 410 van de 611 opdrachten (of 61%) aan Vlamingen toegekend. Hoewel deze cijfers niet altijd konden worden aangehouden, bleven de slaagpercentages onder Nederlandstaligen constant hoog. Het Nederlands werd dan ook een veel prominentere taal binnen het officierskorps. Zelfs onder overwegend Franstaligen groeide de tweetaligheid aanzienlijk.
Conclusie
De taalkwestie in het Belgische leger heeft een lange en bewogen geschiedenis. In veel opzichten weerspiegelt die geschiedenis de bredere problematiek van België als eenheidsstaat en later als federale staat. Na de decreten van de Voorlopige Regering van oktober 1830, die het Frans promootte als voertaal in het leger, werd het Nederlands meer dan een eeuw lang gemarginaliseerd. Bedoeling was om zo een duidelijke breuk met Nederland Nederland Nederland is met Vlaanderen verbonden door de economische infrastructuur, de taal en de geschiedenis. Vanaf eind 18de eeuw kreeg die verbondenheid in taal en cultuur op uiteenlopende mani... Lees meer te veroorzaken, maar ook om de machtspositie te versterken van de Franstalige burgerlijke elite, die een leidende rol in de Revolutie had. Vanaf dat moment raakten taal, politiek en het leger onlosmakelijk met elkaar verweven.
Het leger werd een afspiegeling van de maatschappij, met een overwegend bourgeois Franstalig officierskorps dat de leiding had over een overwegend Nederlandstalige massa. Gedurende het grootste deel van de 19de eeuw was het beleid erop gericht om deze scheiding in stand te houden. Taalwetten Taalpolitiek en -wetgeving Situaties van taalonderdrukking vindt men wereldwijd. Daarom besteedt deze bijdrage eerst aandacht aan gehanteerde taalpolitieke strategieën. Ook in België verzette een gedomineerde taalg... Lees meer , voor het eerst serieus overwogen door de pro-Vlaamse katholieke regering van Pierre de Decker De Decker, Pierre Pierre J.F. de Decker (1812-1891) was een katholiek-liberale en Belgisch patriottische schrijver en politicus, die tot de eerste generatie flaminganten behoorde. Lees meer in de jaren 1850, werden afgewezen om de Franstalige belangen in het officierskorps veilig te stellen. Ook de vastberaden campagne van het leger voor de invoering van de dienstplicht - waarmee het de kwalen van het lot met vervangings- en substitutiemogelijkheden wilde rechtzetten - werd tegengehouden door de politieke macht van dezelfde burgerlijke klassen die het officierskorps monopoliseerden. De modale Vlaamse soldaat legde zich bij die situatie neer. Pas tegen het einde van de 19de eeuw slaagde een zelfbewustere en gepolitiseerde Vlaamse beweging erin om ook in het leger steun te mobiliseren voor daadwerkelijke hervormingen. Pas na de Eerste Wereldoorlog
Eerste Wereldoorlog De Vlaamse beweging is fundamenteel getekend door de Eerste Wereldoorlog. De oorlog maakte een verregaande democratisering onafwendbaar, met wezenlijke gevolgen voor het politieke draagv... Lees meer en de escalatie van de taalkwestie in het leger kwam er evenwel echte verandering tot stand.
Ook na de Grote Oorlog en de opkomst van een militantere Vlaamse beweging volgden eerst nog vele mislukte pogingen en verhitte politieke discussies voor een doorbraak werd bereikt. De taalwet van 1938 werd zeker als dusdanig gepercipieerd. Ondanks de moeilijke totstandkoming ervan als gevolg van het wallingantische verzet, was er toch een zekere mate van gelijkschakeling tussen de twee Belgische talen binnen het leger, waardoor een basis werd gelegd voor een grotere Vlaamse vertegenwoordiging bij het officierskorps en een groter gebruik van de Nederlandse taal in de opleiding, het commando en bij de organisatie van eenheden. Hoewel het debacle van de campagne van 1940 en de Vlaams-nationalistische collaboratie voor een terugslag zorgden, was de taalrechtvaardigheid in het Belgische leger na de Tweede Wereldoorlog zeker toegenomen. Er valt iets voor te zeggen dat het Belgische leger grotendeels gefaald is in zijn natievormende rol. Niettemin heeft zijn doorgaans lastige relatie met de Vlaamse beweging en de daarmee gepaard gaande strijd voor taalgelijkheid zeker mee vorm gegeven aan de geschiedenis van een land dat, ondanks de altijd aanwezige verdeeldheid, tot op vandaag intact blijft.
Literatuur
— J.R. Leconte, La Formation Historique de l’Armée Belge: Les Officiers Étrangers au service de la Belgique (1830-1853), 1949.
— É. Wanty, Le Milieu Militaire Belge de 1831 à 1914, 1957.
— F. Lehouck, Het antimilitarisme in België, 1830-1914, 1958.
— S.B. Clough, A History of the Flemish Movement in Belgium: A Study in Nationalism, 1968.
— A. Crahay, L’Armée belge entre les deux guerres, 1978.
— L. Wils, Flamenpolitik en Aktivisme: vlaanderen tegenover belgië in de eerste wereldoorlog, 1974.
— A.R. Zolberg, The Making of Flemings and Walloons: Belgium: 1830-1914, in: Journal of Interdisciplinary History, jg. 5, 1974, nr. 2, pp. 179-235.
— F.E. Stevens, De Samenstelling van het 9de Linieregiment tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), in: Revue belge d’histoire militaire, jg. 21, 1976, nr. 7, pp. 681-722.
— L. Schepens, Albert Ier et le gouvernement Broqueville 1914-1918, 1983.
— K. Houben, Wet en werkelijkheid inzake het taalevenwicht in het Belgische officerencorps: Een overzicht van de periode 1938-1982, in: Res Publica, jg. 25, 1983, nr. 1, pp. 83-93.
— L. de Vos, De smeltkroes. De Belgische krijgsmacht als natievormende factor, 1830-1885, in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, jg. 15, 1984, nrs. 3-4, pp. 421-460.
— L. de Vos, Het Effectief van de Belgische Krijgsmacht en de Militiewetgeving, 1830-1914, 1985.
— A.B. Murphy, The Regional Dynamics of Language Differentiation in Belgium: A Study in Cultural-Political Geography, 1988.
— H. Keymuelen & L. de Vos, Een Definitieve Afrekening met de 80% - Mythe? Het Belgische Leger (1914-1918) en de Sociale Numerieke Taalverhoudingen onder de Gesneuvelden van Lagere Rang, in: Revue belge d’histoire militarie, jg. 27, 1988, nr. 8, pp. 589-612; jg. 28, 1989, nr. 1, pp. 1-37; & jg. 28, 1989, nr. 2, pp. 81-104.
— H. Haag, Le comte Charles de Broqueville, Ministre d’État, et les luttes pour le pouvoir (1910-1940), 1990, dl. 1.
— R. Boijen, De Taalwetgeving in het Belgische Leger (1830–1940), 1992.
— B. De Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994.
— R. Boijen, Het Leger als Smeltkroes van de Natie?, in: Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 1997, nr. 3, pp. 55-70.
— S. de Schaepdrijver, De Groote Oorlog, 1997.
— E. Witte, La Construction de la Belgique 1827-1847, 2005.
— L. de Vos, & E. Bastin, Du Tirage au Sort avec Faculté de Remplacement au Service Personnel: le Recrutement des Conscrits en Belgique de 1830 à 1914, une Question Militaire et Politique, in: International Review of Military History, 86, 2006, pp. 41-61.
— B. de Wever, The Case of the Dutch-Speaking Belgians in the Nineteenth Century, in: P. Broomans e.a, The Beloved Mothertongue: Ethnolinguistic Nationalism in Small Nations: Inventories and Reflections, 2008, pp. 49-61.
— S. Horvat, De Vervolging van Militairrechtelijke Delicten Tijdens Wereldoorlog I: De werking van het Belgish krijgsgerecht, 2011.
— M. van Ginderachter, & J. Leerssen, Denied ethnicism: on the Walloon movement in Belgium, in: Nations and Nationalism, jg. 18, 2012, nr. 2, pp. 230-246.
— K.D. Shelby, Flemish Nationalism and the Great War: The Politics of Memory, Visual Culture and Commemoration, 2014.
— T. Simoens, Het Belgische Leger, in: L. de Vos e.a, 14-18 Oorlog in Belgie, 2014, pp. 31-43.
— E. Witte, Le Royaume perdu: Les orangistes belges contre la revolution 1828-1850, 2014.
— K.D. Shelby, National identity in First World War Belgian military cemeteries, in: First World War Studies, jg. 6, 2015, nr. 3, pp. 257-276.
— B. Dierckx, & J. Hoegaerts, Exercising Neutrality: The Practice of Manoeuvres in the Belgian Army before the Great War, in: Journal of Belgian History, jg. 46, 2016, nr. 2, pp. 22-46.
— M. Draper, The Belgian Army and Society from Independence to the Great War, 2018.
— N. de Mûelenaere, Belgen, zijt gij ten strijde gereed? militarisering in een neutrale natie, 1890-1914, Universiteit Antwerpen, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, 2019.
— J.-P. Grimmeau en P. Marissal, Le démographie de la Grande Guerre en Belgique et sa géographique, 2021 (CRISP, nr. 2508-2509).
Mario Draper (2026). Leger. In: Encyclopedie van de Vlaamse beweging. 2026. https://devb.be/id/ter-001201.
Redactiegeschiedenis
Redactiegeschiedenis
1998: Richard Boijen (pdf)
2026: Mario Draper