Unie van Hand- en Geestesarbeiders (UHGA)

Organisatie

De Unie van Hand- en Geestesarbeiders (UHGA) was in 1940-1944 een door de bezetter gedomineerde eenheidsvakbond. De UHGA werd de enige erkende syndicale organisatie, maar draaide uit op een mislukking door gebrek aan steun bij de meeste Vlaamse arbeiders en bedienden, voormalige leden van de vooroorlogse vakbonden.

Afkorting
UHGA
Alternatieve naam
Union des Travailleurs manuels et intellectuels (UTMI)
Oprichting
1940
Stopzetting
1944
Leestijd: 9 minuten

De Unie van Hand- en Geestesarbeiders (UHGA) - Union des Travailleurs manuels et intellectuels werd onder druk van de bezetter en het Vlaamsch Nationaal Verbond Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) Het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) (1933-1945) was een rechts-radicale Vlaams-nationalistische partij die tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde met de Duitse nationaalsocialistis... Lees meer (VNV) als eenheidsvakbond gesticht in 1940 door een deel van de  vooroorlogse katholieke, socialistische en liberale syndicale leiding en de corporatie Arbeidsorde Vlaamsche Arbeidsorde Vlaamsche Arbeidsorde Vlaamsche Arbeidsorde (1936-1941) werd opgericht onder de leiding van Victor Leemans als een corporatistische organisatie die in theorie de rexistische vakbonden en het Vlaamsch Nationaal... Lees meer . Ze werd de enige door de bezetter erkende – en volledig door die laatste gedomineerde – syndicale organisatie (zie Tweede Wereldoorlog Tweede Wereldoorlog Tweede Wereldoorlog De Tweede Wereldoorlog werd in Vlaanderen getekend door de onvoorwaardelijke collaboratie van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). De samenwerking met de bezetter en de bestraffing erva... Lees meer ). De UHGA stond echter machteloos door het verbod op staken en publiceren van vakbondsbladen en kon geen sociale eisen afdwingen. Vanaf 1942 evolueerde de organisatie onder Duitse druk in nationaalsocialistische richting. De Unie werd een mislukking doordat de traditionele vakbondsleiders er al na enkele maanden uitstapten, de arbeiders er zich afzijdig van hielden en de werkgevers haar links lieten liggen. Kort voor de bevrijding in september 1944 zakte de Unie ineen en de traditionele vakbonden hernamen hun activiteiten.

Voorzichtige aanwezigheidspolitiek tijdens de eerste oorlogsmaanden

Op het ogenblik van de Duitse inval op 10 mei 1940 bestonden in België drie door de overheid en de werkgevers erkende vakbonden: het socialistisch Belgisch Vakverbond (BVV) met 546.000 leden, het Algemeen Christelijk Vakverbond Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) Het Algemeen Christelijk Vakverbond (1912) is de overkoepelende organisatie van het christelijk syndicalisme in België. Lees meer (ACV) met 340.000 leden en de Algemeene Centrale der Liberale Vakbonden van België (ACLVB) met 70.000 leden, die nauw verbonden waren met respectievelijk de socialistische Socialistische partij Socialistische partij De socialistische partij werd in België in 1885 opgericht als de Belgische Werkliedenpartij (BWP), veranderde in 1945 haar naam in Belgische Socialistische Partij (BSP) en viel in 1978 u... Lees meer , katholieke Katholieke partij Katholieke partij De katholieke partij, later CVP (vanaf 1945) en CD&V (vanaf 2001) speelde een cruciale rol in de geschiedenis van de Vlaamse beweging. De partij had een belangrijk aandeel in onder m... Lees meer en liberale partij Liberale partij Liberale partij De verhouding tussen de liberale partij en het partijpolitieke liberalisme in België enerzijds, en de Vlaamse beweging anderzijds levert een gevarieerd en ingewikkeld beeld op dat evoluee... Lees meer . Onder de Nieuwe Orde-verenigingen beschikte het Vlaamsch Nationaal Verbond Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) Het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) (1933-1945) was een rechts-radicale Vlaams-nationalistische partij die tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde met de Duitse nationaalsocialistis... Lees meer (VNV) over enkele kernen van haar Vlaamsch Nationaal Syndicaat Vlaamsch Nationaal Syndicaat (VNS) Vlaamsch Nationaal Syndicaat (VNS) Het Vlaamsch Nationaal Syndicaat (1933-1941) was een Vlaams-nationalistische vakbond die deel uitmaakte van de Vlaams-nationalistische partij het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). Lees meer (VNS) met 30.000 leden. In het Verdinaso Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen (Verdinaso) Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen (Verdinaso) Het Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen (Verdinaso) (1931-1941) was een fascistisch geïnspireerde beweging onder leiding van Joris van Severen, die een staats- en maatschappijherv... Lees meer telde het Verbond van Dinaso Corporaties Verbond van Dinaso Corporaties (VDC) Verbond van Dinaso Corporaties (VDC) Het Verbond van Dinaso Corporaties (VDC) was een corporatieve deelorganisatie van het Verdinaso, opgericht in 1934. Lees meer (VDC) amper een duizendtal leden. De Vlaamsche Arbeidsorde Vlaamsche Arbeidsorde Vlaamsche Arbeidsorde Vlaamsche Arbeidsorde (1936-1941) werd opgericht onder de leiding van Victor Leemans als een corporatistische organisatie die in theorie de rexistische vakbonden en het Vlaamsch Nationaal... Lees meer , een sociale organisatie die streefde naar een corporatieve Corporatisme Het corporatisme was in het interbellum, vooral in de crisisjaren 1930, een wijdverspreid, maar tegelijk vaag alternatief maatschappelijk en politiek model. Na de Tweede Wereldoorlog zou ... Lees meer ordening van werkgevers en werknemers, telde slechts een 6.000 betalende leden en leunde aan bij het VNV en Rex Rex Rex Rex was een Belgische politieke partij (1935-1940) en een collaboratiebeweging in Franstalig België (1940-1944). Lees meer , hoewel die laatste in de praktijk geen vakbondswerking ontplooide.

Overeenkomstig de vooroorlogse statutair genomen beslissingen werd de vakbondswerking bij de Duitse inval meteen stopgezet en de meeste vooraanstaande socialistische en katholieke vakbondsleiders volgden de Belgische regering naar Frankrijk Frankrijk & Vlaanderen Frankrijk & Vlaanderen De verhouding tussen Vlaanderen en Frankrijk werd altijd gekenmerkt door een aanzienlijke dubbelzinnigheid. Hoewel er lange tijd een grote affiniteit met de Franse cultuur bestond, werd d... Lees meer . Toen de meesten in juli en augustus 1940 terugkeerden, stelden ze vast dat de achtergebleven vakbondsleiders de syndicale werking toch hadden hervat. De meerderheid van de leiders bleek bereid de activiteiten niet alleen te hervatten, maar ook te herdefiniëren en te herstructureren binnen het strikte kader dat de bezetter oplegde. Als reden gaven de actieve vakbondsleiders aan dat werknemers rekenden op de verdediging van hun belangen door de vakbonden gezien de loonsverlaging in veel bedrijven en het enorme aantal van 400.000 werklozen. Nochtans had de bezetter meteen een einde gemaakt aan de normale syndicale werking. Die was onmogelijk gemaakt en staken en het uitgeven van vakbondsbladen waren verboden. De uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen werd van de vakbonden overgeheveld naar de Commissies van Openbare Onderstand.

Langs katholieke zijde werd op 24 juni 1940 met instemming van kardinaal Ernest-Joseph van Roey Van Roey, Ernest-Joseph Van Roey, Ernest-Joseph Ernest-Joseph van Roey (1926-1961) was Kardinaal-Aartsbisschop van Mechelen. Hij aanvaardde geleidelijk de onvermijdelijkheid van een eentalig Vlaanderen en bestreed het Vlaams-nationalis... Lees meer en van Jan Belpaire, de gewezen proost van het ACV en proost van de Katholieke Arbeiders Vrouwengilde Katholieke Arbeiders Vrouwengilde (KAV) De Kristelijke Arbeiders Vrouwenbeweging was een samenstellende tak van het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond (ACW), opgericht in 1920. Lees meer (KAV), het ACV onder de benaming Christelijke Beroepsorganisaties van België heropgericht. Hendrik de Man De Man, Hendrik De Man, Hendrik Hendrik de Man (1885-1953) was een vooraanstaand Belgisch socialistisch politicus, die vanaf 1933 aan het hoofd kwam te staan van de Belgische Werkliedenpartij (BWP). De Man droeg bovendi... Lees meer , voorzitter van de door hemzelf ontbonden Belgische Werkliedenpartij Belgische Werkliedenpartij (BWP) Lees meer , en Victor Grauls, toegevoegd secretaris bij de Belgische Transportarbeidersbond, richtten op 19 augustus 1940 het Nieuw BVV op. Op advies van graaf Maurice Lippens Lippens, Maurice Graaf Maurice Lippens (1875-1956) was een Belgisch liberaal politicus, senator voor het arrondissement Gent-Eeklo en minister van onderwijs. Lees meer herdoopte Alfons Colle zijn Algemeene Centrale der Liberale Vakbonden als Algemene Centrale der Beroepsverenigingen van België.

Deze actieve syndicale leiders, die al vóór de oorlog een sceptische houding tegenover de parlementaire democratie hadden ontwikkeld, hoopten met hun nieuwe organisaties bij te dragen tot een autoritair corporatief en soeverein België rond koning Leopold III van Saksen-Coburg, Leopold III van Saksen-Coburg, Leopold III Leopold III (1901-1983) werd aan de vooravond van en tijdens de Tweede Wereldoorlog het boegbeeld van een autoritaire stroming in de Belgische politiek. Zijn controversiële houding en mee... Lees meer . Dit politieke streefdoel was de stuwende motor achter de vele syndicale initiatieven en kwam duidelijk naar voren in de gezamenlijke federatieve Syndicale Unie der Belgische Arbeiders, opgericht in oktober 1940. Het onderlinge wantrouwen was echter erg groot door de hevige concurrentiestrijd tussen het ACV, met August Cool, Paul-Willem Segers Segers, Paul-Willem Segers, Paul-Willem Paul-Willem Segers (1900-1983) was secretaris van het ACW en achtereenvolgens KVV- en CVP-politicus, die na de Tweede Wereldoorlog verschillende ministerposities bekleedde. Hij was betrok... Lees meer en kardinaal Van Roey, en het Nieuw BVV, met De Man, om het syndicaal monopolie in Vlaanderen. Bovendien wilden de katholieken en de liberalen liefst met Arbeidsorde scheep gaan, terwijl de socialisten de voorkeur gaven aan een samenwerking met het Verdinaso.

Hoe groot het wederzijdse wantrouwen wel was, bleek toen De Man en Victor Leemans Leemans, Victor Leemans, Victor Victor Leemans (1901-1971) was een politiek en sociaaleconomisch theoreticus, die het gedachtegoed van de revolutie van rechts introduceerde in de Vlaamse beweging. Tijdens de Tweede Were... Lees meer , de leider van Arbeidsorde, op aansturen van de bezetter al in september 1940 een overeenkomst bereikt hadden over de oprichting van een eenheidsvakbond. Het ACV was niet betrokken bij de gesprekken en werd pas nadien op de hoogte gebracht. Echter, op 8 november 1940 legde de Duitse bezetter het plan-Voss op tafel. De opsteller was dr. Voss, een Duitse advocaat die de leider was van de Dienststelle Hellwig, de dienst die binnen het Militaire Bestuur bevoegd was voor vakbondszaken. Gezien het veto van de bezetter tegen de royalistische en belgicistische Syndicale Unie, steunde het plan grotendeels op de overeenkomst tussen De Man en Leemans over een strak geleide, gecentraliseerde en autoritaire eenheidsvakorganisatie. Daarop kregen de ACV-leiders van het koninklijk hof en het aartsbisdom de raad een ‘voorzichtige aanwezigheidspolitiek’ te volgen als de weg van het minste kwaad om niet volledig te verdwijnen. Ondanks de vele kritische stemmen – die meer bij de Waalse dan de Vlaamse ACV-militanten te horen waren en evenzeer bij het Nieuw BVV weerklonken -- werd het plan met een grote meerderheid aanvaard en lag de weg naar een eenheidsvakbond open.

Van aanwezigheidspolitiek tot verregaande collaboratie

De Unie van Hand- en Geestesarbeiders (UHGA) – Union des Travailleurs manuels et intellectuels werd op 22 november 1940 plechtig gesticht, met de katholieke, socialistische en liberale vakbonden en Arbeidsorde als pijlers. De UHGA zou opgebouwd worden op basis van de gefusioneerde centrales van de verschillende vakbonden en dus bestaan uit een centrale van de metaalbewerkers, een van de textielarbeiders, enzovoort. Hoewel er aan de Vlaamse en Franstalige gemeenschappen meer zelfstandigheid werd verleend, bleef de nationale eenheidsstructuur bewaard. De leiding werd toevertrouwd aan een ‘Comité van Acht’, met twee vertegenwoordigers van elke vakbondskoepel en onder leiding van Victor Grauls. De bezettende overheid had het laatste woord. De leden aanvaardden die inmenging en supervisie aanvankelijk en blijkbaar met instemming van de hoogste kringen, die namens de koning en de kardinaal beweerden te spreken.

Al in het voorjaar van 1941 werd het duidelijk dat een snelle vastlegging van het politieke statuut van België en de respectievelijke machtsaspiraties niet tot de onmiddellijke mogelijkheden behoorden (zie Tweede Wereldoorlog Tweede Wereldoorlog Tweede Wereldoorlog De Tweede Wereldoorlog werd in Vlaanderen getekend door de onvoorwaardelijke collaboratie van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). De samenwerking met de bezetter en de bestraffing erva... Lees meer ) en gaandeweg groeide ook de twijfel aan een Duitse zege. De UHGA bleek geen impact te hebben op de lonen en arbeidsvoorwaarden. De werkgevers keerden vrijwel van in het begin de Unie de rug toe en onderhandelden met de vroegere vakbondsleiders of met de rechtstreekse vertegenwoordigers van het personeel. Ten slotte was er de terechte vrees dat de bezetter de volledige controle nastreefde op de vakbonden en de hand wilde leggen op de vele bezittingen van de centrales. Het ACV en enkele socialistische vakbonden trokken zich in de eerste helft van 1941 terug uit het UHGA. Toen de zelfstandigheid van de respectievelijke centrales nog meer werd beperkt door de fusies van de centrales en door het reorganisatieplan van 18 oktober 1941 nam de meerderheid van de aangesloten socialistische syndicale leiders ontslag.

Arbeidsorde gaf zich niet gewonnen. Per gemeenschap werden 15 beroepscentrales opgericht, die echter machteloos bleken. Ze waren immers volledig afhankelijk van de pas opgerichte gewestelijke interprofessionele bureaus en van de respectievelijke Vlaamse en Waalse secretarissen-generaal ( Marcel de Ridder De Ridder, Marcel Marcel de Ridder (1902-1986) was actief bij de Frontpartij en zorgde in 1929 voor de fusie van de Vlaams-nationale vakbonden. Hij werd schepen voor het VNV te Aalst en verkozen in de prov... Lees meer en Paul Garain). Door dit reorganisatieplan hielden de vier vroegere vakbonden op te bestaan en was de UHGA als enige vakorganisatie een feit geworden. Intern sprak de leiding van de UHGA – het Directorium – zich eind 1941 uit ten gunste van een uiteindelijke Duitse overwinning. De invloed van Arbeidsorde en dus van het VNV was hier niet vreemd aan. Het VNV beschouwde de UHGA als een instrument om de monopoliepositie op vakbondsgebied te verwerven.

Toen op 1 april 1942 Edgard Delvo Delvo, Edgard Delvo, Edgard Edgard Delvo (1905-1999) was een socialistisch kaderlid en volgeling van Hendrik de Man. Hij trad toe tot de VNV-leiding in 1940 en werd in 1942 leider van de Unie van Hand- en Geestesarb... Lees meer als nieuwe leider van de UHGA werd aangesteld, waren de verwachtingen hooggespannen. Delvo was de vroegere Vlaamse secretaris van de socialistische Centrale voor Arbeidersopvoeding Centrale voor Arbeidersopvoeding (CAO) Centrale voor Arbeidersopvoeding (CAO) De Centrale voor Arbeidersopvoeding van de Belgische socialistische partij bood vanaf 1911 aan laag- en middengeschoolde arbeiders algemene vorming in de volkstaal en rolde inzake cultuur... Lees meer (CAO), was naar het VNV overgestapt en er tot de hoogste partijleiding doorgedrongen. Hij was bovendien een overtuigd nationaalsocialist. Met zijn aanstelling werd Grauls, de socialistische voorzitter van het Comité van Acht, opzij geschoven en een verdere stap gezet in de organisatorische en ideologische uitschakeling van de vroegere – in de eerste plaats socialistische – vakbonden. Met Delvo werden de voorheen genomen beslissingen krachtdadiger en openlijker doorgevoerd. Er kwamen een autoritaire gecentraliseerde structuur, de belijdenis van het nationaalsocialisme met de strijd tegen het bolsjewisme als kernpunt en de uitbouw van het individuele sociale dienstbetoon en van activiteiten in de vrijetijdssfeer als surrogaat van de sociaal-politieke onmacht van de eenheidsvakbond in de concurrentiestrijd met de politiek ambitieuze Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) De Duitsch-Vlaamsche Arbeidersgemeenschap (DeVlag) (1935-1945) was vóór de Tweede Wereldoorlog een organisatie van Vlaamse en Duitse studenten. Tijdens de oorlog ontpopte de DeVlag zich ... Lees meer (DeVlag) en de SS. Delvo evolueerde weg van het VNV en aanvaardde dat de DeVlag, die vanaf mei 1941 in de Vlaamse SS-structuren opgenomen was, de enige erkende nationaalsocialistische partij in Vlaanderen zou worden. De UHGA zag hij als de sociale organisatie van de DeVlag. Hij zorgde ervoor dat de Unie haar medewerking verleende aan het geïllustreerde blad Volk aan den Arbeid Volk aan den Arbeid Volk aan den Arbeid Lees meer van het Deutsche Arbeitsfront, de Duitse tegenhanger van het UHGA, met reportages over Vlaamse arbeiders in Duitsland Duitsland & Vlaanderen Duitsland & Vlaanderen Van de eerste helft van de 19de eeuw tot 1945 stond het Duitse beeld van Vlaanderen in het teken van etnisch-culturele verbondenheid. Die romantische perceptie leefde vooral bij een beper... Lees meer , Oostfronters Oostfronters Oostfronters Het begrip oostfronters duidt in de context van de geschiedenis van de Vlaamse beweging op Vlamingen die als vrijwilliger aan de zijde van Duitsland vochten tegen het Sovjetrussische Rod... Lees meer en Vlaamse kinderen met vakantie in Duitsland, dat van maart 1942 tot augustus 2944 verscheen.

Mislukking, einde en nasleep

Van bij haar stichting was de Unie een mislukking. Met haar zogezegde 250.000 leden verenigde ze slechts 24 procent van het vooroorlogse aantal vakbondsleden. Na het uitstappen van het Vlaams ACV en van meerdere socialistische centraleleiders was het ledeneffectief meer dan gehalveerd. In april 1942 telde de UHGA nog circa 112.000 leden, van wie 95.478 in Vlaanderen en 16.232 in Wallonië. Als gevolg van het individuele sociale dienstbetoon steeg dit aantal opnieuw tot zijn maximum van 164.061 in april 1943. De permanente sociaal-politieke onmacht van de UHGA was frappant. Het waren hoofdzakelijk de zorg om hun dagelijkse materiële belang en het ongeloof in de slaagkansen van een vakbondsactie onder een totalitair regime die de arbeiders het nutteloze deden inzien van een massale aansluiting bij de UHGA.

Bij het naderen van de geallieerde troepen in juli-augustus van 1944 zakte de UHGA ineen en veel Unie-vooraanstaanden sloegen op de vlucht naar Duitsland of doken onder. Meerdere stichters en leden van het Comité van Acht werden op administratief vlak vrijgesproken omdat lidmaatschap van de UHGA voor 1 april 1942 niet strafbaar gesteld was. Delvo riskeerde wel zware vervolging, vluchtte begin september 1944 naar Duitsland, werkte er enige tijd op het hoofdkwartier van het Deutsche Arbeitsfront en werd in België bij verstek ter dood veroordeeld. Hij keerde in 1974 na een strafherziening en verjaring terug naar België en schreef nog boeken over zijn leven en de oorlogstijd. In de maanden na de bevrijding werd tot de materiële en morele liquidatie van de Unie overgegaan. De vooroorlogse vakbonden hernamen hun activiteiten, maar zonder De Man.

Het archief van de UHGA wordt bewaard in het archief- en onderzoekscentrum Amsab-ISG.

Literatuur

— E. Delvo, Sociale collaboratie. Pleidooi voor een volksnationale sociale politiek, 1975.
— W. Steenhaut, De Unie van Hand- en Geestesarbeiders. Een onderzoek naar het optreden van de vakbonden in de bezettingsjaren 1940-1944, RUG, doctoraatsverhandeling, 1983.
— W. Steenhaut, Het sociaal dienstbetoon van de UHGA: een Ersatz voor haar sociaal-politieke onmacht, in: 1940-1945: Het dagelijks leven in België, 1984, pp. 176-185.
— E. Verhoeven, De Unie van Hand- en Geestesarbeiders, in: België in de Tweede Wereldoorlog. Deel 9. Het minste kwaad, 1990, pp. 32-56.
— B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994.
— M. Vermote, Archief van Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) – dossier Unie van Hand- en Geestesarbeiders ((UHGA). 1930-1949, 2005, geraadpleegd op 3 september 2024, op: http://www.odis.be/lnk/AE_1910
— O. Boehme, Greep naar de markt. De sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum, 2008.

Suggestie
Citeren

1975: Mieke Van Haegendoren (pdf)

1998: Wouter Steenhaut (pdf)

2025: Herwig De Lannoy

Databanken

Inhoudstafel