Vlaamse Opera

Organisatie
Mona Allaert (2024, aanvulling), Erna Metdepenninghen (1998, aanvulling)

De Antwerpse Opera, nu bekend als Opera Ballet Vlaanderen (OBV), werd opgericht in 1893 met als doel een podium te bieden voor nieuwe Vlaamse opera’s en Nederlandse vertalingen van gevestigde opera’s. Daarmee wilden de initiatiefnemers een Vlaamse culturele identiteit stimuleren en het gebruik van het Nederlands bevorderen.

Alternatieve naam
Koninklijke Vlaamse Opera van Antwerpen (KVO) [-1981]
Koninklijke Vlaamsche Opera van Antwerpen
Opera voor Vlaanderen (OVV) [1981-1988]
Vlaamse Operastichting (VLOS) [1988-1995]
Vlaamse Opera [1995-2014]
Kunsthuis Opera Ballet Vlaanderen [2014-]
Oprichting
1893
Leestijd: 27 minuten

Sinds haar oprichting in 1893 kende de Antwerpse Opera een erg complexe bestaansgeschiedenis, gekenmerkt door fusies en wijzigingen in nomenclatuur en bestuur. In 1981 fuseerde ze met de Gentse Opera tot Opera voor Vlaanderen (OvV), met de bedoeling de artistieke en financiële krachten van beide instellingen, die al enkele jaren in moeilijkheden verkeerden, te bundelen. Op die manier hoopte men een hoogstaande opera-instelling in het leven te roepen die ook internationaal zou kunnen meetellen en die door de kwaliteit van de opvoeringen het lokale chauvinisme tussen Gent en Antwerpen zou kunnen overwinnen. De meest recente fusie vond plaats in 2014, toen het Koninklijk Ballet van Vlaanderen zich aansloot bij de Opera’s van Antwerpen en Gent om samen Opera Ballet Vlaanderen (OBV) te vormen. Zowel in Gent als in Antwerpen werd op dat ogenblik echter nog weinig Nederlandstalig werk uitgevoerd en was men bijna volledig op de originele taal overgeschakeld. Nochtans was de Koninklijke Vlaamse Opera van Antwerpen bij haar ontstaan nauw verbonden met de Vlaamse beweging. Het initiatief maakte deel uit van een algemeen streven naar volksverheffing in de eigen taal.

Van Vlaamschen Schouwburg tot Nederlandsch Lyrish Tooneel

Toen in 1870 de Antwerpse gemeenteraad besloot een ‘nieuwen Vlaamschen Schouwburg’ te bouwen, werd daarbij ook aan het opvoeren van zangspelen gedacht. De integratie van meer muziek Muziek Lees meer in de schouwburg stond al langer op de agenda van de heren Edward Keurvels Keurvels, Edward Keurvels, Edward Edward Keurvels (1853-1916) was als secretaris van Peter Benoit nauw betrokken bij het Koninklijk Vlaams Conservatorium. Ook voerde hij vele werken uit van Benoit en was hij zelf actief a... Lees meer en Peter Benoit Benoit, Peter Benoit, Peter Peter Benoit (1834-1901) was een Vlaamsgezinde componist en muziekpedagoog. Lees meer . Uiteindelijk was het Benoit die zich als maestro over deze zangspelen ontfermde.

Tijdens de inhuldigingsplechtigheid (16 augustus 1874) van het gebouw werden voor de twee geprogrammeerde toneelstukken ook twee oratoriums uitgevoerd, waarvan één door de Gentse Melomane. Nochtans was er van een echt lyrisch gezelschap voorlopig geen sprake. In 1879 pleitte Benoit in De Vlaamsche Kunstbode ervoor om in de Antwerpse schouwburg een dergelijk gezelschap op te richten ‘(...) dat niet alleen onze werken, maar ook de Duitsche, Scandinaafsche, Slavische, Italiaansche, Spaansche, Fransche werken in hunne gansche heerlijkheid zou vertolken’.

De tijd leek er rijp voor: tientallen Vlaamse componisten hadden reeds Nederlandstalige  teksten op muziek gezet. Benoit was hierin een voortrekker met werken zoals Charlotte Corday (1876) en De Pacificatie van Gent (1876), beide behorend tot een nieuw muzikaal genre, het zogenaamde lyrisch drama. Dit genre bestond uit gesproken toneelstukken met een muzikale openingsact en intermezzo's, soms aangevuld met liederen en koren, waarbij het orkest de belangrijkste delen begeleidde. Het kenmerkte zich door een ‘nationale basis’, geïnspireerd door melodieën die rechtstreeks uit de volksmuziek kwamen. Hoewel er voldoende materiaal beschikbaar was, waren eerdere pogingen om verschillende zangspelen in het Nederlands in Vlaanderen op te voeren mislukt, voornamelijk door het gebrek aan financiële middelen.

Dankzij het scherpe oog van Edward Keurvels en een gunstige samenloop van omstandigheden kon uiteindelijk een lyrisch gezelschap worden opgericht in de schouwburg. Keurvels, sedert 1881 dirigent bij de Vlaamsche Schouwburg, had in het spoor van zijn leermeester Benoit zijn hart verpand aan het lyrisch drama. Toen door een loonconflict het Théâtre Royal Français (de Franse Opera die sedert 1834 de Bourla Schouwburg in Antwerpen bespeelde) zijn volledig orkest van zo'n vijftig musici ontsloeg, kon Keurvels gebruikmaken van zijn onderhandelingspositie tussen Frans van Doeselaer (directeur van de Vlaamsche Schouwburg, die gebouw en toneelspelers ter beschikking moest stellen), en het stadsbestuur om de oprichting van het Nederlandsch Lyrisch Tooneel te realiseren. Dit was een belangrijke stap richting de vestiging van een volwaardig Vlaams operahuis. Toen het Nederlandsch Lyrisch Tooneel in 1890 van start ging, schreef Max Rooses Rooses, Max Rooses, Max Max Rooses (1839-1914) was kunsthistoricus en directeur van het Plantin-Moretusmuseum en als letterkundige actief in de Vlaamse beweging. Lees meer in het Gentse weekblad Het Volksbelang Het Volksbelang Het Volksbelang Het Volksbelang (1867-heden) is het oudste nog bestaande liberale weekblad. Het is de spreekbuis van de Vlaamsgezinde sociaal-progressieve liberalen. Lees meer : ‘Nu zullen onze componisten voor eigen volk kunnen werken en onze zangers en uitvoerders zich in eigen land kunnen doen waardeeren en verdienstelijk maken’.

Kortstondige bloei van het lyrisch drama

Op 18 september 1890 speelde het Nederlandsch Lyrisch Tooneel zijn eerste voorstelling: Charlotte Corday van Benoit, met Keurvels als dirigent. Deze bijzonder succesvolle opvoering was een gebeurtenis van formaat in het toenmalige Vlaamsgezinde cultuurleven. Naast alle Vlaamsvoelende prominenten uit de Scheldestad zelf, waren Julius Sabbe Sabbe, Julius Sabbe, Julius Lees meer (Brugge), Julius Vuylsteke Vuylsteke, Julius Vuylsteke, Julius De Vlaamsgezinde advocaat, dichter en uitgever Julius Vuylsteke (1836-1903) was het boegbeeld van het Vlaamsgezinde liberalisme. Hij lag aan de basis van de Gentse studentenvereniging ’T ... Lees meer en Paul Fredericq Fredericq, Paul Fredericq, Paul Paul Fredericq (1850-1920) was een vooraanstaande Gentse historicus, die als de officieuze ideoloog van het liberaal flamingantisme kan worden  omschreven. Als rector van de Gentse u... Lees meer (Gent) en Emanuel Hiel Hiel, Emanuel Hiel, Emanuel Emanuel Hiel (1834-1899) was een Vlaamse dichter en schrijver. Als radicaal-democratische, vrijzinnige flamingant speelde hij een belangrijke rol in het Vlaamsgezinde verenigingsleven in ... Lees meer (Brussel) aanwezig.

Datzelfde seizoen volgden nog in het Nederlands gezongen opvoeringen van Preciosa (Weber), Stella, de zigeunerin (Hendrik Waelput), Egmont (Beethoven), Parisina (Keurvels), Struensee (Meyerbeer), Jeanne d'Arc (Gounod). Uit die opsomming blijkt dat men, geheel in de geest van Benoit, niet alleen de Vlaamse kunst wou bevorderen, maar Vlamingen ook de kans wilde geven het internationale repertoire in het Nederlands te leren kennen. Tijdens de volgende jaren waarin nog lyrische drama's werden gespeeld, was toneelmuziek te horen van Benoit, Berghs, De Vleeshouwer, Keurvels en Emile Wambach Wambach, Emile Wambach, Emile Dirigent en componist Emile Wambach (1854-1924) speelde een belangrijke rol in het Antwerpse Nederlandstalige muziekleven. Zo was hij directeur van het Koninklijk Vlaams Conservatorium.... Lees meer en gingen stukken in première die opgeluisterd werden met muziek van Bizet, Fibich, Grieg, Mendelssohn, Reinecke en Weber.

Tussen 1890 en 1893 waren de theaterseizoenen voornamelijk gewijd aan het lyrisch drama, voornamelijk onder impuls van Benoit, Keurvels en Frans Gittens Gittens, Frans Gittens, Frans Frans Gittens (1842-1911) was een Antwerpse stadsbibliothecaris en liberaal gemeenteraadslid, die romantisch nationalistische toneelstukken schreef. Lees meer , die grotendeels vrij spel kregen van Van Doeselaer. Terwijl Charlotte Corday vaak op het toneel verscheen, werden er ook nieuwe lyrische drama's gepresenteerd, zoals Gittens en Benoits Karel Van Gelderland. Hoewel het lyrisch drama aanvankelijk goed ontvangen werd, dunde het publiek snel uit. Ook de uitvoerders zelf konden al met al weinig enthousiasme voor het genre opbrengen. Het werd tijd om over te schakelen naar echte, volledig gezongen opera's. Hoewel het genre wellicht slechts korte tijd in zwang was, omschreef Hallemans het lyrisch drama later als ‘de kiem waaruit de Vlaamse opera opbloeide.’

De opera gaat van start

Twee initiatieven liggen aan de basis van de verwezenlijking van een volwaardige Vlaamse opera. De befaamde bas Henry Fontaine Fontaine, Henry Antwerpenaar Henry Fontaine (1857-1923) was medeoprichter en directeur van de Koninklijke Vlaamse Opera. Hij programmeerde tal van Nederlandstalige stukken. Hij was ook een veelgevraagde ... Lees meer , zangleraar aan de Vlaamsche Muziekschool Koninklijk Vlaams Conservatorium Antwerpen Het Koninklijk Conservatorium Antwerpen is een onderwijsinstelling voor dans, drama en muziek. In 1898 was het de eerste Nederlandstalige instelling voor hoger onderwijs in België. ... Lees meer schreef op 20 februari 1893, gesteund door Max Rooses, een brief aan het Antwerpse college van burgemeester en schepenen, waarin hij de oprichting van een Vlaams operagezelschap bepleitte. Kort daarop, op 15 maart, richtte ook Benoit, op aansporing van Keurvels en gesteund door Gittens, een brief aan burgemeester Jan van Rijswijck Van Rijswijck, Jan Van Rijswijck, Jan De liberaal Jan van Rijswijck (1853-1906) was burgemeester van Antwerpen. Zijn inzet voor de rol van het Nederlands in de lokale politiek en het verenigingswezen alsook zijn volksgezinde ... Lees meer , waarin hij, ‘de eerste officiële musicus van de stad Antwerpen’, vroeg gehoord te worden ‘over de hoogst gewichtige zaak der instelling van een Vlaamsch zanggezelschap bij onzen Nederlandschen Schouwburg’. Hoewel er discussie mogelijk is over wie de eigenlijke oprichter van de opera was, worden consequent dezelfde drie namen genoemd: ‘Peter Benoit was de geest van het nieuwe gewrocht, Edward Keurvels en Henry Fontaine waren de mannen van de daad’.

Op 23 juni 1893 bekrachtigde de gemeenteraad met algemene stemmen een bijzondere toelage voor wat nog steeds Nederlandsch Lyrisch Tooneel zou heten, maar waar men naast lyrische drama's ook Vlaamse operaopvoeringen zou verzorgen. Fontaine werd voorzitter, Keurvels secretaris, mededirecteur én eerste dirigent. Het voornaamste doel van het Nederlands Lyrisch Toneel was dan ook om Nederlandstalige opera’s op de planken te brengen, hetgeen aanvankelijk met de nodige zorgen gepaard ging. Zo werd Fontaine een paar jaar eerder nog geciteerd: ‘Een opera in ‘t Vlaams! Niet te doen!’

Dinsdag 3 oktober 1893 markeerde de start van de Vlaamse opera, met een volledig Nederlandstalige opvoering van Webers De Vrijschutter. Benoit gaf aanwijzingen voor de uitvoering en zou later nog adviserend optreden. De initiële twijfel over het taalgebruik werd na de succesvolle première vergeten en verruild voor triomfalisme. ‘Dien dag won de zelfbewuste Vlaming een stukje meer van zijn zelfstandigheid’, zo werd 3 oktober beschreven door René Hallemans. Max Rooses benadrukte hoe de voorstelling een nieuwe mijlpaal betekende voor de Vlaamsche Muziekschool in het bijzonder en de Vlaamse strijd in het algemeen. De keuze voor een van het Duits naar het Nederlands vertaald stuk werd zeer positief onthaald, aangezien Italiaanse en Franse opera's destijds het repertoire domineerden. In de openingsrede bestempelde schepen Frans van Cuyck Van Cuyck, Frans Frans J. van Cuyck (1857-1952) was onderwijzer, schrijver en literair criticus. Als leraar aan de Stedelijke Normaalschool in Antwerpen oefende hij vooral door zijn inzet voor het algemee... Lees meer die eerste vertoning van 1893 als ‘de Kerstnacht der Nationale Toonkunst, waarin de Vlaamsche Opera werd geboren’ en hij voegde eraan toe: ‘De moeder is hier de Vlaamse beweging, haar kind de Vlaamse Opera, het wordt vandaag gewettigd.’

Hoewel er nu ruimte vrijkwam voor een nieuw repertoire, hadden Fontaine en Keurvels met Van Doeselaer afgesproken dat dit niet het einde zou betekenen van het lyrisch drama. Op de tweede speelavond, 5 oktober 1893, stond dan ook Schillers Willem Tell op het programma, dat door Carl Reinecke geadapteerd was als een lyrisch drama. Al snel werd echter duidelijk dat het lyrisch drama opvallend minder succesvol was, zeker in vergelijking met het populaire De Vrijschutter. Zelfs de grootste voorstanders van het lyrisch drama – Gittens, Keurvels en Benoit – erkenden dat het tijd was om dit genre minder prominent in het repertoire te plaatsen. In de daaropvolgende seizoenen waagde het Nederlands Lyrisch Toneel zich aan absolute klassiekers in het operagenre: tussen 1894 en 1907 gingen voor het eerst Nederlandstalige versies van De Toverfluit (Mozart), Wagner's Fidelio en Tannhauser in première. Het Nederlands Lyrisch Toneel toonde daarmee aan dat ook gevestigde opera’s tot hun recht kwamen in het Nederlands, en geleidelijk aan groeide de vraag naar een eigen operagebouw.

Reeds op 19 april 1896 had August Monet Monet, August Monet, August Lees meer in zijn blad De Vrije Pen een eigen schouwburg voor het Nederlandsch Lyrisch Tooneel opgeëist, daartoe onder meer geïnspireerd door de vraag van het publiek naar zondagse operamatinees. Die konden immers slechts sporadisch plaatsvinden zolang de opera en het lyrisch toneel in dezelfde schouwburg optraden en beide strekkingen de speeldagen en repetitieruimten onder elkaar moesten verdelen. In 1899 werd een propagandacomité opgericht om te ijveren voor een eigen gebouw voor het Vlaams zangtoneel. Op 16 februari 1901, tijdens een herdenkingsavond voor ‘Tien jaar Nederlandsch Lyrisch Tooneel’ , werd die wens in de gelegenheidstoespraak van Gustaaf Segers Segers, Gustaaf Segers, Gustaaf Gustaaf Segers (1848-1930) was een Vlaamse schrijver en leraar. Hij publiceerde zowel literair als pedagogisch werk. Lees meer nog eens benadrukt. In december van datzelfde jaar stemde de Antwerpse gemeenteraad met een overweldigende meerderheid het eerste krediet toe. In juni 1904 werd het plan ingediend, waarna de bouw van de opera vijf jaar in beslag nam. Op donderdag 17 oktober 1907 vond de inauguratie plaats van de nieuwe en voor die tijd moderne schouwburg aan de Frankrijklei, ontworpen door stadsarchitect Alexis van Mechelen. Een week na de opening besliste het college dat de nieuwe schouwburg definitief Vlaamsche Opera (Koninklijk sedert 1920) zou heten.

Financiële problemen

Tussen de eerste operavoorstelling in 1893 en de inhuldiging van het nieuwe gebouw in 1907 kende het Nederlandsch Lyrisch Tooneel heel wat financiële problemen. In 1895 bleek het nodig een Beschermingscomiteit op te richten, dat een lening uitschreef om onder meer door het patroneren van vertoningen de instelling van de dreigende financiële ondergang te redden. Een van de meest actieve leden van het comité was de muzikaal geïnteresseerde fabrieksdirecteur Karel van Walle, die tussen 1898 en 1902 de leiding van de opera op zich nam. Tijdens zijn directieperiode werden niet alleen de financiële noden weggewerkt, maar werd er ook opmerkelijk veel  nieuw, Vlaams lyrisch werk opgevoerd. Vooral Wambachs Quinten Metsys was een groot succes. Van Walle moest evenwel zijn directeurschap in 1902 afsluiten met een aanzienlijk persoonlijk verlies van 24.000 frank.

De Antwerpse opera streefde ernaar om opera's toegankelijk te maken voor bredere lagen van de bevolking, niet alleen door ze op te voeren in de volkstaal, maar ook door te investeren in zogenaamde ‘volksvertoningen’. Bij deze voorstellingen werden tickets voor minder dan de helft van de normale prijs verkocht en werd voornamelijk nieuw werk van Vlaamse auteurs vertoond. Uit financiële overwegingen werd het aandeel van deze volksvertoningen echter gaandeweg weer afgebouwd, totdat ze in 1921 werden stopgezet.

Na de Eerste Wereldoorlog kwam het culturele leven in Antwerpen kwam onder vuur door een algemene muzikantencrisis. De entertainmentsector had zich inmiddels verbreed naar cinema’s en dancings, wat aantrekkelijke werkplekken waren voor muzikanten. Door de hoge vraag naar muzikanten konden operahuizen moeilijk concurreren. Hierdoor vond er in 1921 geen operavoorstellingen plaats in Antwerpen, noch in het Théâtre Royal Français, noch in de Vlaamse Opera.

Ook in de volgende decennia had de opera mecenassen nodig om het hoofd boven water te houden. In 1931 werd, als tegenhanger van de bestaande Les Amis du Théâtre Royal, de zogenaamde Getrouwen en Abonnementen van de Koninklijke Vlaamsche Opera (GAKVO) opgericht die net zoals het Beschermingscomiteit voorstellingen zou patroneren en propageren. De voorstellingen in kwestie werden ditmaal echter in beginsel georganiseerd met medewerking van buitenlandse gasten. Het begin was bescheiden, maar al snel volgden heuse festivalvoorstellingen uit het internationale operarepertoire met buitenlandse dirigenten en zangers die de opera in de oorspronkelijke taal vertolkten. GAKVO groeide uit tot een zelfstandige organisatie met eigen abonnees. Van januari 1932 tot april 1939 organiseerde ze zowat 65 voorstellingen. Slechts tweemaal kwam Vlaams werk met eigen solisten aan bod: Het Arendsnest van Julius Schrey op een libretto van August Monet (opgevoerd op 9 november 1937 naar aanleiding van een herdenkingsavond voor Schrey) en de première van Anne-Marie van Renaat Veremans Veremans, Renaat Veremans, Renaat Renaat Veremans (1894-1969) was een van de populairste componisten van zijn generatie. Hij trad op als dirigent gedurende vele Nationale Zangfeesten en IJzerbedevaarten. Lees meer op een tekst van Felix Timmermans Timmermans, Felix Timmermans, Felix Felix Timmermans (1886-1947) is de auteur van een omvangrijk en veelgelezen oeuvre. Tot zijn bekendste romans horen Pallieter (1916) en Boerenpsalm (1935). Tijdens de Eerste Wereldoorlog ... Lees meer (op 22 februari 1938). Dankzij de GAKVO kon men echter ook kennismaken met opera's die men anders wellicht nooit had gehoord zoals Schwarzschwanenreich van Siegfried Wagner en Palestrina van Hans Pfitzner. De werking van GAKVO loste de talrijke moeilijkheden in het doordeweekse operaleven evenwel niet op. Integendeel, om de duurdere toegangsprijzen voor de GAKVO-opvoeringen te kunnen betalen bleven de operaliefhebbers van de gewone voorstellingen weg, waardoor het initiatief een eerder contraproductief effect sorteerde.

De Vlaamse Opera werd, net als de Théâtre Royal Français, gesubsidieerd. Ze kregen staatstoelagen en waren ook in staat om na succesvolle seizoen een deel van de winst terug te geven aan de stadskas. In minder succesvolle jaren kregen ze steun van welwillende Antwerpse zakenlieden en politici, zoals Willy Friling, Henri Fester en Louis Franck.Omstreeks 1930 werd het – in de context van de economische Economie Economie Dit artikel gaat over de relatie tussen economie en Vlaamse beweging. Daarmee beoogt deze tekst geen economische geschiedenis te schetsen van wat we vandaag Vlaanderen noemen. Integendee... Lees meer crisis – duidelijk dat het Antwerpse gemeentebestuur over onvoldoende financiële middelen beschikte om beide operahuizen blijven ondersteunen. Op initiatief van burgemeester Camille Huysmans Huysmans, Camille Huysmans, Camille Camille Huysmans (1871-1968) was een Vlaamsgezinde socialistische politicus, die van 1933 tot 1940 burgemeester van Antwerpen was, tweemaal een ministerpositie bekleedde en een jaar lang ... Lees meer en mede onder druk van de Vlaams-nationalistische Frontpartij Het Vlaamsche Front (Frontpartij) Het Vlaamsche Front (Frontpartij) Het Vlaamsche Front was een Vlaams-nationalistische partij, die werd opgericht in 1919 en ook bekend stond onder de couranter gebruikte officieuze benaming Frontpartij. Gesticht als een ... Lees meer schafte het stadsbestuur daarom in 1933 de Franse Schouwburg af, natuurlijk niet zonder protesten van de Franstalige bevolking in Antwerpen. Vanaf het interbellum bleek de stedelijke overheid dan ook, door alle politieke constellaties heen, de belangrijkste steunpilaar van de Vlaamse Opera gebleken. Ze subsidieerde, paste bij en nam lasten op zich daar waar de steun van andere instanties, vooral de nationale overheid, ontoereikend waren. Onder de Vlaamsgezinde burgemeesters Huysmans (sedert 1933) en Lode Craeybeckx Craeybeckx, Lode Craeybeckx, Lode Lode Craeybeckx (1898-1976) was een socialistische politicus, die zich in zijn jeugd engageerde in het activisme tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hoewel hij later afstand nam van het radic... Lees meer (sedert 1947) werden niet alleen méér staatstoelagen verkregen, maar werden ook alle stedelijke schouwburgdirecties door de inbreng van de stad Antwerpen Antwerpen (stad) Lees meer beschermd tegen persoonlijke financiële ondergang, wat hun meer armslag gaf.

Het repertoire

Duitse opera’s

Behalve eigen Vlaams werk bracht de Vlaamse Opera aanvankelijk vooral Germaanse, en in mindere mate ook Slavische operaproducties. Behalve Mozart, Beethoven en Lehár, was het vooral Wagner die de aandacht kreeg. De Vliegende Hollander was de eerste opera van Wagner die in Antwerpen op de affiche stond (1894), gevolgd door Tannhauser (1895), Lohengrin (1896) en De Meesterzangers van Neurenberg (1904); in 1905 waagde men zich aan De Walkure, in 1908 aan Siegfried. Rijngoud en Godendeemstering volgden in 1910 en in datzelfde jaar kon voor het eerst de hele Ring der Nevelingen tweemaal worden uitgevoerd, op eigen kracht en voor uitverkochte zalen. Dit was mogelijk mede dankzij de geweldige inspanning van Frans van Laer Van Laer, Frans Van Laer, Frans Frans van Laer (1862-1951) had in Antwerpen mede de leiding van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS). Ook schreef hij volkse blijspelen. Lees meer , secretaris van de Antwerpse afdeling van het Algemeen-Nederlands Verbond Algemeen-Nederlands Verbond (ANV) Algemeen-Nederlands Verbond (ANV) Het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV) werd in 1895 opgericht. Aanvankelijk behartigde het de belangen van de Nederlandse taal. Later en tot op de dag van vandaag ijvert het voor de brede ... Lees meer . Op het eind van dat jaar volgde nog een galavertoning van Tristan en Isolde. Voor Wagners Parsifal moest men wachten tot het werk buiten Bayreuth mocht worden opgevoerd. In 1914 werd Parsifal wel tienmaal gespeeld en sedert 1926 groeide de traditie de opera ieder jaar in de paasperiode uit te voeren.

Franse en Italiaanse opera’s

Toen het Vlaamse zangtoneel op gang kwam, sprak het vanzelf dat niet hetzelfde – in hoofdzaak Latijnse – repertoire zou worden uitgevoerd dat rond diezelfde tijd in het Théâtre Royal te zien was. Het Nederlandsch Lyrisch Tooneel koesterde daarom nog geen principiële weerzin voor Frans of Italiaans werk, zolang dat maar in het Nederlands werd opgevoerd. Hoewel Franse en Italiaanse opera's zelden deel uitmaakten van het repertoire – mede om concurrentie met het Théâtre Royal te vermijden – speelde men bijvoorbeeld in 1905 De Nieuwsgierige Vrouwen van Wolf-Ferrari, in 1908 De Vestale van Spontini, in 1911 Othello van Verdi en in 1912 Hoffmanns Vertellingen van Offenbach. In datzelfde jaar begon het Verbond der Vlaamsche Maatschappijen Verbond der Vlaamsche Maatschappijen Het Verbond der Vlaemsche Maatschappijen (1907-1908) wilde in een aantal steden de Vlaamsgezinde groeperingen verenigen en coördineren. Het initiatief heeft maar kort bestaan. Lees meer zelfs een polemiek rond de (Nederlandstalige) opvoering van een Frans-Belgisch werk: Edenië (C. Lemonnier en L. Dubois), omdat de tekstdichter zich in het verleden laatdunkend zou hebben uitgelaten over Vlamingen en hun taal. De operadirectie mocht van overheidswege al geen Franse opera's uitvoeren zonder uitdrukkelijke toestemming van het college, maar in 1910 wenste de Tooneelraad, dat die toestemming ook zou worden gevraagd (én slechts uitzonderlijk zou worden verleend), voor het zingen in om het even welke andere taal dan die van het huis. Daarbij kwam bovendien nog de voorwaarde dat de vreemde gast(en) zou(den) zingen in de oorspronkelijke taal van het werk.

Toen de Vlaamse Opera vanaf 1918 opnieuw openging, heerste er een tijdelijke naoorlogse tegenzin om Duits werk op te voeren. Daardoor ontstond er een aanzienlijke leemte in het repertoire. Bovendien bleef de Théâtre Royal na de oorlog voor een langere periode gesloten, hetgeen voor de Vlaamse Opera een opportuniteit was om een deel van haar repertoire over te nemen. Er werden toen enkele populaire werken uit het Latijnse repertoire op de affiche geplaatst (Faust van Gounod, weliswaar zonder ballet, in 1918, Bizets Carmen en Norma van Bellini in 1919). Er werd ook van de gelegenheid gebruik gemaakt om eerder apart werk als Pelléas et Mélisande van Debussy in het Nederlands te brengen. Na de afschaffing van de Royal in 1933 nam de Koninklijke Vlaamse Opera dan ook de meest gevraagde werken uit het repertoire van die instelling over, zoals opera's van Puccini, Verdi, Lecocq en Saint-Saëns.

Vlaamse opera’s

Vanaf de start in 1893 tot aan de fusie met Gent in 1981 slaagde de Antwerpse Opera erin een bescheiden repertoire van Vlaamse opera's te ontwikkelen. Dit lag volledig in de lijn van wat de pioniers van de Vlaamse muziekbeweging Muziek Lees meer voor ogen hadden: de artistieke creatie in Vlaanderen stimuleren, alsook de uitvoering ervan door in het Nederlands geschoolde musici.  Heel wat Vlaamse componisten,  met uiteenlopende muzikale achtergronden en opvattingen, lieten zich dan ook inspireren om voor het lyrisch toneel te schrijven: Karel Albert Albert, Karel Albert, Karel Karel Albert (1901-1987) was componist en muziekleraar. Hij behoorde tot een groep modernistische muzikanten, die zich verzetten tegen de Vlaamse Romantische muziek. Lees meer , Flor Alpaerts Alpaerts, Flor Alpaerts, Flor Flor Alpaerts (1876-1954) was een Antwerpse componist en dirigent, die zich ontpopte als een invloedrijke promotor van het werk en gedachtegoed van Peter Benoit. Lees meer , August Baeyens Baeyens, August August Baeyens (1895-1966) was violist, componist en directeur van de Koninklijke Vlaamse Opera van Antwerpen. Lees meer , Peter Benoit, Jan Blockx Blockx, Jan Blockx, Jan Componist Jan Blockx (1851-1912) was een leerling van Peter Benoit, die hij bovendien opvolgde als directeur van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Hij componeerde Nederlandstalige ... Lees meer , August de Boeck De Boeck, August De Boeck, August August De Boeck (1865-1937) was een invloedrijke romantische Vlaamse componist die door zijn composities de Vlaamse muziek op Europees niveau bracht. Hij hield er een Vlaamsgezinde overt... Lees meer , Ernest Brengier Brengier, Ernest Brengier, Ernest Ernest Brengier (1873-1940) was een componist die vooral bekendheid verwierf met de opera Gudrun, die mede door Cyriel Verschaeve een symbolische betekenis kreeg binnen de Vlaamse bewegin... Lees meer , Jan Broeckx Broeckx, Jan Broeckx, Jan Jan Broeckx (1880-1966) was een Antwerpse muzikant. Hij was medeoprichter van het Genootschap der Vlaamsche componisten en was belangrijk voor de ontwikkeling van een Nederlandse muziekte... Lees meer , Paul Gilson Gilson, Paul Gilson, Paul Componist en dirigent Paul Gilson (1856-1942) was leraar aan het Conservatorium in Antwerpen. Hij bestudeerde en voerde Nederlandstalige muziekstukken uit. Na de Eerste Wereldoorlog werd ... Lees meer , Henry George D'hoedt, Jef van Hoof Van Hoof, Jef Van Hoof, Jef Jef van Hoof (1886-1959) was een katholiek Vlaams-nationalistisch componist, dirigent, organist en pianist, die aansloot bij de postromantiek en bekend werd om zijn volksliederen en Vlaam... Lees meer , Emiel Hullebroeck Hullebroeck, Emiel Hullebroeck, Emiel Emiel Hullebroeck (1878-1965) was een Vlaamsgezinde componist en dirigent. Hij is van grote betekenis geweest voor de Vlaamse liedbeweging in de 20ste eeuw en voor het sociale statuut van... Lees meer , Marinus de Jong, Henri Kennes, Louis de Meester, Arthur Meulemans Meulemans, Arthur Meulemans, Arthur Arthur Meulemans (1884-1966) was een Vlaams-nationalistisch georiënteerde componist, die onder meer dirigeerde op het Vlaams Nationaal Zangfeest en de IJzerbedevaart. Lees meer , Leo Moeremans, Arthur van Oost, Emile Painparé, Marcel Poot, Armand Preud'homme Preud'homme, Armand Preud'homme, Armand Armand Preud’homme (1904-1986) was organist en toondichter. Zijn bekendste lied is Kempenland. Ook dirigeerde hij geregeld tijdens Vlaams-nationalistische evenementen zoals het Vlaams-Nat... Lees meer , Joseph Ryelandt, Maurice Schoemaker, Julius Schrey, Daniël Sternefeld, Franz Uyttenhove, Renaat Veremans Veremans, Renaat Veremans, Renaat Renaat Veremans (1894-1969) was een van de populairste componisten van zijn generatie. Hij trad op als dirigent gedurende vele Nationale Zangfeesten en IJzerbedevaarten. Lees meer , Edward Verheyden, Emiel Wambach Wambach, Emile Wambach, Emile Dirigent en componist Emile Wambach (1854-1924) speelde een belangrijke rol in het Antwerpse Nederlandstalige muziekleven. Zo was hij directeur van het Koninklijk Vlaams Conservatorium.... Lees meer , Peter Welffens. Een twintigtal Vlaamse werken haalde tot het einde van het seizoen 1980-1981 meer dan tien opvoeringen. Hoe vroeger ze in première gingen, hoe meer kansen tot uitvoering er uiteraard waren. Zo komt het dat, bij het overschouwen van de Vlaamse operaproductie, soms te eenzijdig de nadruk gelegd wordt op vijf componisten en zes werken, alle gecreëerd tussen 1896 en 1903, dus in de aanvangsperiode van het Nederlandsch Lyrisch Tooneel: De Herbergprinses en De Bruid der Zee (Blockx), Quinten Massys (Wambach), Prinses Zonneschijn (Gilson), 't Minnebrugje (Van Oost) en Winternachtsdroom (De Boeck).

Feit is echter dat slechts een handvol Vlaamse werken populair genoeg was om de nodige inkomsten te genereren. In dat verband moest de Opera toch vooral steunen op bekende Duitstalige stukken. Het aantal Vlaamse werken in het repertoire verminderde en sommige directeurs waren minder geneigd Vlaams werk te programmeren, ook omdat de belangstelling van het publiek ervoor terugliep. Renaat Verbruggen, die directeur was van 1961 tot 1974, probeerde het tij te keren door ieder seizoen met een Vlaams werk te openen, creaties van eigen bodem te stimuleren en het bestaande Vlaamse repertoire opnieuw onder de aandacht te brengen. Zo stonden bijvoorbeeld tijdens het seizoen 1962-1963 niet minder dan zes Vlaamse opera's op de affiche, waaronder De Bruid der Zee van Jan Blockx, die het seizoen opende. Het gemiddelde bezoekersaantal lag echter nooit boven 500 man per productie. Steeds meer stelde zich ook het probleem goede Nederlands zingende vertolkers te vinden. Het Vlaamse rekruteringsveld was eerder beperkt. Bovendien werd het operabedrijf steeds internationaler, won het gebruik van de originele taal meer en meer veld en was de uitstraling van de Koninklijke Vlaamse Opera op dat moment niet van die aard om ambitieuze jonge zangers aan het huis te binden. Uiteindelijk zou ook de Koninklijke Vlaamse Opera zich overgeven aan de groeiende internationalisering van het operatoneel. Verbruggens opvolger, Sylvain Deruwe, schakelde bijna volledig over naar opera’s in de originele taal, weliswaar nog altijd in hoofdzaak vertolkt door het eigen ensemble. Nochtans krikte deze omschakeling het niveau van de Koninklijke Vlaamse Opera niet op. De instelling kende zware artistieke en financiële problemen

Van Koninklijke Vlaamse Opera naar Opera voor Vlaanderen

Toen op 28 oktober 1981 door vertegenwoordigers van de Vlaamse Gemeenschap Vlaamse Gemeenschap Vlaamse Gemeenschap De Vlaamse Gemeenschap (1980) is een van de drie gemeenschappen in België (naast de Franse en Duitstalige Gemeenschap) die bevoegd is voor de zogenaamde ‘persoonsgebonden aangelegenheden’... Lees meer en de steden Gent Gent Al in de 19e eeuw probeerden Vlaamsgezinde intellectuelen het gebruik van het Nederlands te bevorderen in een sterk verfranst Gent. Studentenverenigingen zoals 't Zal wel gaan hielpen daa... Lees meer en Antwerpen (de stichtende leden van de intercommunale vennootschap Opera voor Vlaanderen) in de Raadzaal van het Gentse stadhuis de notariële akte werd ondertekend, werd de fusie van de Koninklijke Opera van Gent (KOG) en de KVO officieel. Hoewel de wensdroom van 'een opera in Vlaanderen' al langer deel uitmaakte van de Vlaamsgezinde muziektraditie, betekende de oprichting van de Opera voor Vlaanderen uiteindelijk geen eindpunt of bekroning. In Gent, waar een zekere vrees leefde om door de Antwerpse operawereld overvleugeld te worden, was het verzet tegen één opera voor Vlaanderen van in het begin bijzonder heftig. In Antwerpen kwamen er vanwege het toen erg geslonken publiek amper reacties los. De stad Antwerpen zelf was echter beslist voor het plan gewonnen, aangezien de noodzakelijke bijpassingen om het deficit van de Koninklijke Vlaamse Opera aan te zuiveren, steeds groter werden.

Toen de stad Gent van haar kant besliste dat 90 miljoen het hoogste bedrag was dat ze nog aan opera kon spenderen en Antwerpen op dat ogenblik reeds tot 120 miljoen en meer moest gaan, raakte de oprichting van de Opera voor Vlaanderen, onder minister van cultuur Rika van Ocken Van Ocken, Rika Rika van Ocken (1923-2002) was voor de Christelijke Volkspartij senator, minister in verschillende regeringen en Europees Parlementslid. Voor haar politieke carrière was ze actief in de k... Lees meer in een stroomversnelling, want op die manier zou zuiniger kunnen worden gewerkt, dacht men. Over artistieke betrachtingen (een van de basisideeën bij het aanvankelijke project) werd toen nog amper gesproken. In de praktijk was er ook weinig concrete samenwerking waar te nemen: de OvV had dan wel slechts één directie, maar beide operahuizen hadden hun eigen koor en eigen orkest. Ze stonden er bovendien op om allebei opera’s te mogen produceren. Het afstemmen van de producties bracht nog andere uitdagingen met zich mee. Terwijl de Gentse opera traditioneel georiënteerd was op de Latijnse operatraditie, lag de focus van de Antwerpse Opera op de Germaanse. Bovendien bemoeilijkten de verschillen in infrastructuur tussen de twee operahuizen het standaardiseren van de producties. Hoe kon men twee huizen, waarvan de bouwstenen zo verschillend waren, verantwoord laten samenwerken? Een voorbereidings- of aanpassingstijd was er nauwelijks geweest. Het eerste seizoen van de nieuwe instelling 1981-1982 werd een 'overgangsseizoen' onder de praktische leiding van algemeen directeur Alfons van Impe, die onmiddellijk elke artistieke verantwoordelijkheid ervoor afwees. Het programma was immers in enkele weken uit het bestaande repertoire van de Gentse Opera en de Koninklijke Vlaamse Opera ineengeflanst.

Vijf seizoenen lang probeerde men tevergeefs om van de Opera voor Vlaanderen een goed functionerende instelling met niveau en een eigen profiel te maken. Ondanks de fusie staken de financiële problemen al snel weer de kop op. Bovendien werd het publiek niet warm van de onconventionele en ambitieuze programmering, waaronder de Belgische creatie van de drie-bedrijven-versie van Lulu van Alban Berg. De programmatie was vis noch vlees; te veel moderne werken (Lulu, Mathis der Maler, The Rake’s Progress) en een te sterke Duitse invloed voor het Gentse publiek. In 1983 werd deze experimentele koers al bijgestuurd toen Alfons Van Impe de terugkeer van het "ijzeren repertoire" aankondigde. En toen Patrick Dewael in 1985 aangesteld werd als nieuwe minister van cultuur, boog hij zich onmiddellijk over het dossier van de Opera voor Vlaanderen, met de bedoeling nu eindelijk werk te maken van een nieuwe structuur.

Tijdens de Opera voor Vlaanderen-periode, met de Vlaamse dirigenten Frits Celis en Silveer van den Broeck als muziekdirecteurs, en nog een groot aantal Vlaamse, Belgische en Nederlandse zangers, naast internationale gasten, zijn opvoeringen van Prinses Zonneschijn (Paul Gilson) te melden en de wereldpremière van een nieuwe Vlaamse opera: Gansendonk van Willem Kersters op een libretto van Bob de Nijs en Kersters naar Baes Gansendonck van Hendrik Conscience Conscience, Hendrik Conscience, Hendrik Hendrik Conscience (1812-1883) was de eerste auteur die het in België aandurfde een roman in het Nederlands te schrijven en te publiceren. Zijn oeuvre van zo’n 65 romans, dat ook een bred... Lees meer (Antwerpen 29 september 1984). OvV wekte echter de indruk kwantiteit boven kwaliteit te verkiezen: er werden talloze producties opgezet, maar altijd met beperkte financiële middelen en een korte repetitieperiode. Dit resulteerde in enkele onsuccesvolle seizoenen en tegenvallende bezoekersaantallen, met als gevolg dat de instelling in de schulden kwam te zitten. Op het einde van het seizoen 1987-1988, het tweede onder de algemene directie van Eric de Meester (zakelijk directeur) en Silveer van den Broeck (artistiek directeur) kwam het tot een staking van het personeel van de Opera voor Vlaanderen en een bezetting van de opera's van Gent en Antwerpen. Op die manier wou men garanties voor de toekomst van de Opera voor Vlaanderen en de tewerkstelling afdwingen. Maar in juli 1988 werd de Intercommunale Vennootschap Opera voor Vlaanderen ontbonden en op 20 juli 1988 werd de vzw Vlaamse Operastichting oftewel de VLOS officieel opgericht.  

Van Opera voor Vlaanderen tot Vlaamse Opera (VLOS en VLOPERA)

Gerard Mortier, de succesrijke Gentse directeur van de Muntschouwburg, werd bereid gevonden drie jaar over de nieuwe VLOS te waken en ze in goede banen te leiden als 'opdrachthouder met adviserende functie'. Onder Mortiers leiding werd de fusie van Gent en Antwerpen grondig herzien. Zo werden de twee operagebouwen op het vlak van infrastructuur beter op elkaar afgestemd: de renovatie van het gebouw van de Antwerpse Opera werd gestart, terwijl er ook een plan werd ontwikkeld om het volledig verwaarloosde operagebouw in Gent grondig te restaureren. Wellicht nog ingrijpender voor de toekomst van de VLOS was de rigoureuze herstructurering van het personeelsbestand. Zowel het orkest als het koor van Antwerpen en Gent werd aan strenge selectieproeven onderworpen en vervolgens omgevormd tot één koor en één orkest die door beide operahuizen gedeeld werden. Tijdens dit proces werden meer dan 70 artiesten ontslagen. Ook het administratief en technisch personeel werd samengevoegd, met grote reducties als gevolg. De artistieke zetel vestigde zich in Antwerpen, de administratieve zetel in Gent. Aangezien de VLOS als vzw optrad en over minder personeel beschikte, had het als instituut meer armslag voor het vergaren van sponseringen en subsidies. In deze periode werd ook het programma voor het speelseizoen van 1989-1990 bepaald. De VLOS streefde op artistiek vlak naar vernieuwing van het repertoire door zich voornamelijk te richten op werken uit de 20te eeuw. Het provinciale karakter, waar de KVO voorheen net op wilde inspelen, werd bij de VLOS vermeden. Met name met het oog op het vergroten van de toekomstperspectieven van de VLOS, werden opera's opgevoerd in hun oorspronkelijke taal.

Op 27 april 1989 trad het Symfonieorkest van de Vlaamse Opera voor het eerst voor het voetlicht onder zijn muziekdirecteur Rudolf Werthen, een bekend Vlaams violist en artistiek leider van het kamerorkest I Fiamminghi. De eerste operaproductie Verdi's Simon boccanegra in regie van de internationaal gewaardeerde Vlaamse operaregisseur Gilbert Deflo en gedirigeerd door Sylvain Cambreling, de muziekdirecteur van de Munt, droeg duidelijk de Mortier-signatuur, maar liet de toeschouwers tevens kennismaken met de eigen ensembles van de Vlaamse Opera, de verbeterde scène van de Antwerpse Opera en het nagestreefde niveau. De productie kende een groot succes en bewees dat alle troeven aanwezig waren om de toekomst van de opera in Vlaanderen opnieuw met vertrouwen tegemoet te zien. Van het ideaal van Peter Benoit en de stichters van het Nederlandsch Lyrisch Tooneel was men ondertussen wel al een heel eind verwijderd. Men koppelde het belang en de uitstraling van de Vlaamse Opera niet meer in de eerste plaats aan het promoten van werk en vertolkers van eigen bodem, maar aan een hoog artistiek niveau en een eigen profiel, waardoor Vlaanderen aanzien in de internationale operawereld zou verwerven.

Nadat Mortier beslist had op te stappen, benoemde minister Dewael Marc Clémeur, op dat moment producer muziek bij de BRT-televisie (Belgische Radio en Televisieomroep), tot intendant. Was het eerste seizoen van de Vlaamse Opera in zekere zin ook weer een overgangsseizoen, dan werden daar toch reeds de krachtlijnen uitgetekend die ook de volgende jaren het profiel van de Vlaamse opera zouden bepalen. Een ervan is het jaarlijks brengen van een barokopera met de medewerking van prominente Vlaamse specialisten terzake zoals Sigiswald Kuijken, Philppe Herreweghe, René Jacobs of Jos van Immerseel. Er werd weer aangeknoopt bij de jarenlange Parsifal- en Wagner-traditie van de Koninklijke Vlaamse Opera en er was plaats voor nieuwe creaties: Das Glas im Kopf wird vom Glas van Jan Fabre en Eugeniusz Knapik (7 maart 1990), Un Malheureux vêtu de Noir van de Nederlandse componist Jan van Vlijmen op een libretto van de Vlaming Johan Thielemans (7 december 1990). Ondertussen gaf de Vlaamse Opera ook reeds de eerste compositieopdracht. De jonge Vlaamse componist Piet Swerts schreef een opera op een libretto van Dirk van der Cruysse naar Les Liaisons Dangereuses van Choderlos de Laclos, in het Frans. Daarnaast bouwde de Vlaamse Opera met de jonge Canadese regisseur Robert Carsen en de ervaren Zwitserse dirigent Silvio Varviso een bijzonder succesvolle Puccini-cyclus uit, die heel wat buitenlandse muziekrecensenten naar Vlaanderen lokte en de naam van de Vlaamse Opera een internationale weerklank gaf.

Ondertussen had de Vlaamse opera met juridische problemen af te rekenen. Kort na de oprichting van de Vlaamse Operastichting (VLOS) was immers gebleken dat die formule niet rechtsgeldig was en dienden niet door de VLOS opgenomen personeelsleden van de Opera voor Vlaanderen (ambtenaren in deze intercommunale) schadeclaims in, die mogelijk konden oplopen tot honderden miljoenen. Om dit scenario te omzeilen werkte minister van cultuur Hugo Weckx Weckx, Hugo Weckx, Hugo Hugo Weckx (1935-2024) was een christendemocratisch politicus, onder meer bekend vanwege zijn sleutelrol binnen de Nederlandse Commissie voor de Cultuur van de Brusselse Agglomeratie (NCC... Lees meer , de opvolger van Dewael, een statuut uit waarbij een nieuwe stichting, de VLOPERA, als een soort paracommunautaire instelling werd opgericht. Weckx' opvolger Luc Martens nam dit project over en op 31 juli 1996 hield de VLOS officieel op te bestaan. In de plaats daarvan ging de VLOPERA van start, met een andere raad van bestuur, maar met dezelfde intendant.

Het ballet

Vermelden we nog volledigheidshalve dat de Vlaamse Opera sinds 1923 onder de directie van F. Derickx en Bernard Tokkie Tokkie, Bernard Tokkie, Bernard Bernard Tokkie (1867-1942), een Antwerpenaar van Joodse origine, was operazanger en -directeur. Hij engageerde zich ook in de Vlaamse beweging. Lees meer over een eigen balletgezelschap beschikte, dat niet alleen instond voor de gedanste intermezzi in de opera's en operettes, maar ook eigen balletopvoeringen verzorgde. Daarbij kwamen onder meer de namen van Rameau of Bartok op de affiche, componisten die amper met hun opera's vertegenwoordigd waren. Daarnaast danste men ook balletten op muziek van Vlaamse componisten zoals Jan Blockx, Karel Albert, Karel Candael, Theodoor van Doren, Jef van Durme, Marinus de Jong, Marcel Poot, Daniël Sternefeld, Renier van der Velden, August Verbesselt, Peter Welffens, François Glorieux en Willem Kersters. Uit het Ballet van de Koninklijke Vlaamse Opera ontwikkelde zich in 1969 het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, opgericht door danseres en choreografe Jeanne Brabants. Hoewel het Koninklijk Ballet een onafhankelijke entiteit was ten opzichte van de Opera, werkten beide instellingen regelmatig samen aan producties en gastoptredens.

Na Renaat Verbruggen waren er nauwelijks nog Nederlandstalige werken te beluisteren in de opera, maar een vorm van ‘lyrisch toneel’ bleef toch bestaan in Vlaanderen, dankzij de oprichting van de musicalafdeling door het Koninklijk Ballet in 1985. In dit kader ontstonden originele Nederlandstalige werken, die ook regelmatig in de opera’s van Gent en Antwerpen werden opgevoerd, zoals de musicals Dear Fox van Dirk Stuer en Daniël Ditmar (15 september 1990) en Sacco en Vanzetti van Dirk Brossé, Frank van Laecke en Paul Berkenman (11 oktober 1996). De afdeling werd echter in 2003 opgeschort wegens een gebrek aan subsidies.

Het gebrek aan subsidies had niet alleen invloed op de musicalafdeling, maar ook op het gehele Koninklijk Ballet. Dit leidde uiteindelijk in 2014 tot de fusie van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen met de VLOS en de vorming van het huidige Opera Ballet Vlaanderen, een beslissing die enige kritiek te verduren kreeg, onder andere van Jeanne Brabants, die sinds 1984 met pensioen was. De fusie van het ballet met de opera zorgde er ondertussen wel voor dat werken van Belgische choreografen zoals Sidi Larbi Cherkaoui, Wim Vandekeybus, Jan Martens en Jeanne Brabants zelf tot op heden veelvoudig in de opera’s te zien zijn.

Slotbeschouwingen

De maatstaven waarmee het succes van de Vlaamse Opera vandaag gemeten wordt, zijn heel anders dan de idealen die de pioniers van het Nederlandsch Lyrisch Tooneel voor ogen hadden. Bijna overal ter wereld worden de opera's in de originele taal gezongen, een trend die extra in de hand werd gewerkt door het gebruik van boventiteling (geprojecteerde vertalingen). Dit laat de theaters toe beroep te doen op een internationale zangersbezetting, wat het niveau van de opvoeringen ten goede kan komen. Ook Vlaamse operazangers hebben zich de gewoonte eigen gemaakt om hun partijen in de originele taal te leren, waardoor hun actieradius aanzienlijk verbreed is. Het operaleven is zo internationaal geworden dat het zich niet meer door lands- of gemeenschapsgrenzen laat beperken. Wellicht is het dan ook mede de hoop op internationale erkenning en verspreiding van hun werken, die Vlaamse componisten ertoe aanzette opera's te schrijven op niet-Nederlandstalige libretti. De geschiedenis van de Antwerpse opera lijkt gekenmerkt door een constante afweging tussen enerzijds de aspiraties van de opera om nieuw Vlaams werk te programmeren, mede gestimuleerd door de Vlaamse beweging, en anderzijds de presentatie van een gecanoniseerd repertoire dat financiële stabiliteit verzekerde. Hoewel het huidige repertoire van Opera Ballet Vlaanderen (OBV) volledig aansluit bij de bredere internationale tendensen in de operawereld, is het Nederlands in de opera niet volledig verdwenen. Zo ging in de zomer van 2023 een nieuwe productie van Le Nozze di Figaro in première in de operahuizen van Gent en Antwerpen. Hoewel de opera grotendeels in het originele Italiaans werd gezongen, werden de komische rollen van Marcellina en Bartolo in het Nederlands vertolkt door Vlaamse acteurs. Deze ingreep moest volgens regisseur Tom Goossens niet alleen de verstaanbaarheid en het komische effect ten goede komen, maar was ook bedoeld als eerbetoon aan de beginjaren van de opera.

Directie van de Antwerpse Opera

Nederlandsch Lyrisch Tooneel: Henry Fontaine en Edward Keurvels (1893-1895); Fontaine, Keurvels, A. Baets en Bernard Tokkie (1895-1898); Karel van Walle (1898-1902); J. Judels en Tokkie (1902-1907).

Vlaamse Opera: Jef Judels en Tokkie (1907-1909); Henry Fontaine (1909-1914); Henry Fontaine (1918-1920); Fé Derickx.

Koninklijke Vlaamse Opera: Tokkie en Julius Schrey (1921-1922); Arthur Steurbaut en Flor Alpaerts (1922-1923); Derickx en Tokkie (1923-1932); Flor Bosmans (1932-1935); Jozef Steuren (pseudoniem: Jozef Sterkens; 1935-1942); Joris Diels (1942-1944); August Baeyens (1944-1948); Karel Bogaers (1948-1951); Robert Herberigs (1951-1953); August Baeyens en Renaat van Zundert (1953-1958); Mevrouw Mina Bolotine-Verhoeven (1958-1961); Renaat Verbruggen (pseudoniem: Bert Roelants; 1961-1974); Sylvain Deruwe (1974-1981).

Opera voor Vlaanderen: Alfons van Impe (1981-1987).

Vlaamse Opera Stichting: Gerard Mortier (1987-1989), Marc Clémeur (1989-2009), Aviel Cahn (2009-2014).

Opera Ballet Vlaanderen:  Aviel Cahn (2014-2019), Jan Vandenhouwe (2019-heden).

Literatuur

– Hallemans, René. De Vlaamsche Opera van Antwerpen, 1907.
– M. August, Een halve eeuw nederlandsch lyrisch tooneel en Vlaamsche Opera te Antwerpen : herinneringen, feiten, datums, namen, cijfers en anecdoten, Koninklijke Vlaamsche Opera, 1939.
– M. Reybrouck, De Vlaamse Opera: het aandeel van de KVO te Antwerpen in de Vlaams-nationale school (1907-1914), KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1978.
– H. Willaert en J. Dewilde, "Het lied in ziel en mond". 150 jaar muziekleven en Vlaamse Beweging, 1987.
– G. Sergooris, Opera in Vlaanderen: a never ending story?, in: Etcetera, jg. 6, 1988, nr. 23, pp. 2-4.
– Y. Adriaenssens, De Vlaamse Opera van de grondvesten tot de tempel, 1990.
– M. Clémeur, E. Metdepenninghen en S.-C. Bettinger, Op zoek naar harmonie tussen denken en voelen: vijf seizoenen Vlaamse Opera, 1994.
– Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis, redacteur. Antwerpen in de 20ste eeuw: van Belle Époque tot Golden Sixties, 2008.
– K. van den Broeck, Het testament van Jeanne Brabants, oermoeder van de Vlaamse dans, 31 december 2013, geraadpleegd op 26 maart 2024, op: https://apache.be/2013/12/31/het-testament-van-jeanne-brabants-oermoeder-van-de-vlaamse-dans
– M. Allaert, The Flemish Operation: Language Choices in the Repertoire of the Antwerp Opera (1893 – 1934), Universiteit Antwerpen, ongepubliceerde masterproef, 2023.
–De complexe tragikomedie le nozze di figaro, 15 mei 2023, geraadpleegd op 4 maart 2025, op: https://www.operaballet.be/nl/ontdek/de-complexe-tragikomedie-le-nozze-…

Suggestie
Citeren

1975: Frans Smekens (pdf)

1998: Erna Metdepenninghen (pdf)

2024: Mona Allaert

Databanken

Inhoudstafel