Vlaamse identiteit: een cultuurfilosofische analyse
Wat is de invloed van de Verlichting en de Romantiek in het denken over de Vlaamse identiteit? Veronderstelt dat denken een etnische essentie of gaat het uit van een open en dynamische identiteitsopvatting? Met deze filosofische vragen als leidraad brengt onderhavige bijdrage het evoluerende discours over de Vlaamse identiteit in kaart.
Guido Vanheeswijck (2025). Vlaamse identiteit: een cultuurfilosofische analyse. In: Encyclopedie van de Vlaamse beweging. 2025. https://devb.be/id/ter-001572.
De combinatie ‘Vlaamse identiteit’ is relatief nieuw. Tot vóór enkele decennia vond men ze nagenoeg nooit terug in de talloze teksten over (de geschiedenis van) Vlaanderen en de Vlaamse beweging. Pas in 1995 publiceerde historicus en journalist Marc Reynebeau Reynebeau, Marc Marc Reynebeau (1956) is journalist, publicist en historicus. Als redacteur van Knack en later De Standaard ontpopte hij zich tot een gezaghebbend intellectueel die zich uitgesproken krit... Lees meer een uitvoerig essay in boekvorm waarin de term ‘Vlaamse identiteit’ voorkwam, zij het als ondertitel, verscholen achter een veel oudere slogan: Het klauwen van de leeuw. De Vlaamse identiteit van de 12de tot de 21ste eeuw (zie Historiografie tot 1995 Historiografie van de Vlaamse beweging (tot 1995) Lees meer ). Geleidelijk raakte de terminologische combinatie ‘Vlaamse identiteit’ ingeburgerd en kreeg zij zelfs een prominente plek in de debatten binnen en over de Vlaamse beweging.
Reeds een jaar na het verschijnen van Reynebeaus boek diende hoogleraar en politicus Eric Defoort
Defoort, Eric Historicus Eric Defoort (1943-2016) werkte als leraar, bibliothecaris en hoogleraar, en was ook bedrijvig als auteur van historische boeken en als publicist. Hij was actief in de Volksuni... Lees meer hem van antwoord met het essay Het klauwen van de historicus, waarin Reynebeaus constructivistische benadering van de geschiedenis van de Vlaamse identiteit werd afgewezen (zie verderop). In diezelfde periode, meer bepaald tussen september 1997 en april 1998, richtte het presidium van het OVV ( Overlegcentrum van Vlaamse verenigingen
Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV) Het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV) werd officieel opgericht op 13 mei 1966 en overkoepelt een hele reeks Vlaamsgezinde organisaties en verenigingen van uiteenlopende (ideol... Lees meer ) een werkgroep op rond het concept ‘Vlaamse identiteit’. Daarin werd niet alleen het concept als dusdanig onderzocht, maar ging men tevens op zoek naar inhoudelijke argumenten tegen critici die het bestaan van een Vlaamse identiteit in vraag stelden. In 2000 kwam uit dit onderzoek een publicatie voort, onder redactie van Peter de Roover De Roover, Peter Peter de Roover (1962) is een Vlaams-nationalistisch politicus voor de N-VA. Sinds 2016 is hij fractieleider in de Kamer. Lees meer en Eric Ponette
Ponette, Eric De geneesheer Eric Ponette (1937) was hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij was actief binnen diverse Vlaamse verenigingen, waaronder het Vlaams Geneesherenverbond, en ple... Lees meer , Hoe Vlaams zijn de Vlamingen? Over identiteit. Uitdrukkelijk werd daarin verwezen naar het essay van Reynebeau en verschillende auteurs lieten hun licht schijnen over de Vlaamse identiteit.
Voortaan stond de Vlaamse identiteitskwestie hoog op de culturele en politieke agenda van wie zich bezighield met het verleden, het heden en de toekomst van Vlaanderen en de Vlaamse beweging. Nagenoeg twintig jaar later publiceerde Bart de Wever
De Wever, Bart Bart de Wever (1970) is een Vlaams-nationalistisch politicus. Hij is sinds 2004 voorzitter van de N-VA, die onder zijn voorzitterschap de grootste partij van België werd. Sinds 2013 is hi... Lees meer een beknopt essay met als titel Over identiteit (2019). Daarin ging de voorzitter van de N-VA
Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA) De N-VA is op electoraal vlak de meest succesvolle Vlaams-nationalistische partij ooit en slaagde er ook in om de grootste Belgische partij te worden. Ze zit bijna 20 jaar in de Vlaamse R... Lees meer en burgemeester van Antwerpen Antwerpen (stad) Lees meer uitdrukkelijk in op het verband tussen identiteit, Vlaanderen en de Vlaamse beweging en zijdelings op de relatie tussen identiteit en het gevoel Europeaan te zijn. De visie over identiteit die hij uitwerkte, fungeerde datzelfde jaar als een blauwdruk voor de vorming van een nieuwe Vlaamse regering
Vlaamse Regering De Vlaamse regering is de uitvoerende macht van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, geïnstalleerd na de staatshervorming van 1980 en aanvankelijk aangeduid met de term 'executie... Lees meer onder leiding van zijn partijgenoot Jan Jambon
Jambon, Jan Jan Jambon (1960), informaticus, brak in 1988 met de VU en werd een prominente figuur in de Vlaamse Volksbeweging. Hij pleitte voor een onafhankelijk Vlaanderen in de EU. In 2006 trad hi... Lees meer .
In plaats van de term ‘identiteit’ ontmoetten we in de 19de en 20ste eeuw min of meer analoge termen zoals ‘ziel’, ‘wezen’, ‘volksaard’, ‘volksgeest’, ‘eigenheid’. De inhoud van die termen was doorgaans ook enigszins anders dan wat we vandaag onder ‘identiteit’ verstaan. In onderhavige bijdrage hanteren we gemakshalve systematisch de term ‘identiteit’, ook wanneer het over eerdere periodes gaat.
Methodologische achtergrond
Het is geen toeval dat de term ‘identiteit’ relatief laat opduikt in het maatschappelijke debat over de Vlaamse beweging. Ook internationaal raakte het concept ‘nationale identiteit’ pas in de loop van de jaren 1980 breder verspreid, toen een constructivistische benadering dominant werd in het nationalisme-onderzoek. Deze benadering stelde op grond van historisch-wetenschappelijke argumenten het tot dan dominante geëngageerd-emancipatorisch discours binnen het nationalistische denken over identiteit ter discussie. Ook het constructivisme bleef echter niet gespaard van kritiek. Hieronder worden de voornaamste denkmodellen over nationale identiteit kort geïntroduceerd.
Het nationalistisch geïnspireerde discours
In zijn studie Nationaal denken in Europa (1999) onderscheidt de Nederlandse historicus Joep Leerssen Leerssen, Joep De Nederlandse cultuurhistoricus Joep Leerssen (1955) voert vergelijkend en transnationaal onderzoek naar het ‘romantisch nationalisme’ en zijn politieke implicaties. Een van Leerssens v... Lees meer identiteit als ‘zijnswijze’ van identiteit als ‘zienswijze’. Terwijl identiteit in een nationalistisch geïnspireerd discours als een ‘inherente, essentiële eigenschap’ van een bepaalde groep geldt, een ontologisch gegeven (‘zijnswijze’) dus, benadert het constructivistische nationalisme-onderzoek die identiteit veeleer als een perceptie of een zelfbeeld (‘zienswijze’).
Volgens Leerssen heeft het geloof in een nationale identiteit per definitie een essentialistisch en ahistorisch karakter: het nationale denken projecteert de oorsprong van de natie terug in het begin der tijden. Het gaat er automatisch van uit dat een nationale identiteit ‘in wezen’ niet evolueert in de loop van de geschiedenis en van generatie op generatie wordt doorgegeven, hetzij door een biologische band (ras, genen, bloed, …), hetzij door cultuur en traditie. In een constructivistische benadering wordt dit essentialistisch en ahistorisch karakter van een nationale identiteit in vraag gesteld.
In deze bijdrage maken we echter een onderscheid tussen een essentialistisch en een dynamisch denken over identiteit. In het eerste geval wordt de Vlaamse identiteit gezien als een tijdloze, onveranderlijke kern die de Vlamingen van nu delen met hun voorvaderen en die in sommige vertogen door God gegeven is. In deze visie dient ‘het Vlaamse volk’ tot elke prijs zuiver te blijven. Elke vorm van modernisering of vermenging met andere (taal)culturen wordt als een aantasting van de eeuwige Vlaamse wezensaard beschouwd. Precies daarin schuilt het verschil met een dynamische identiteitsopvatting, die stelt dat de Vlaamse natie en identiteit in permanente ontwikkeling zijn. Respect voor gedeelde tradities geldt daarbij nog steeds als een fundamentele waarde, maar dit mag de evolutie en modernisering van de natie niet in de weg staan. Ook de toenadering tot andere (taal)culturen en levensbeschouwingen wordt in deze opvatting niet zozeer als een gevaar dan wel als een opportuniteit beschouwd.
De constructivistische benadering
Tegen het nationalistisch geïnspireerde discours over Vlaamse identiteit kwam dus weerwerk in de jaren 1990, in navolging van het werk van Benedict Anderson, Imagined Communities. Reflections on the Origin and Spread of Nationalism uit 1983 en twee andere toonaangevende studies die in datzelfde jaar verschenen: Nations and Nationalism van Ernest Gellner en The Invention of Tradition van Eric Hobsbawm en Terence Ranger. Hoe onderling verschillend deze werken ook waren – anders dan Gellner en Hobsbawm / Ranger, distantieerde Anderson zich nadrukkelijk van elke vorm van antinationalisme – ze lieten alle drie zien hoe aan de hand van verhalen en mythes over een voorvaderlijk verleden een nationale identiteit wordt gecreëerd die een eenheidsgevoel in het leven roept waarmee institutionele geplogenheden en culturele gebruiken worden gelegitimeerd.
Dergelijke inzichten over natievorming
Natievorming Dit artikel over natievorming focust op de verbeelding en vorming van België en Vlaanderen als nationale gemeenschappen. Daarbij wordt gekeken naar de politiek van natievorming vanwege de... Lees meer en ‘uitgevonden tradities’ vormden de bouwstenen van een historische benadering die de natie als een sociale constructie in haar maatschappelijke context en als een product van de moderniteit wil begrijpen. In dit constructivistische perspectief gaat de natie dan ook niet vooraf aan het nationalisme, maar vinden nationalisten de natie als het ware uit of, genuanceerder verwoord, creëren zij ‘imagined communities’. Binnen een dergelijke gemeenschap delen de leden, van wie het merendeel elkaar wellicht nooit zal ontmoeten, toch een gevoel van culturele verbondenheid.
Tegen die achtergrond maakte vanaf de jaren 1990 de term ‘Vlaamse identiteit’ dus opgang in intellectuele milieus. Het concept verwees daarbij niet naar een onveranderlijke ontologische essentie, maar naar een discursieve constructie, die voor sommigen zelfs op zuivere inbeelding berustte. Historici en linguïsten zoals Marc Reynebeau, Jan Blommaert en Jef Verschueren hanteerden het constructivistische perspectief vooral om de interne contradicties van het nationalisme bloot te leggen en benaderden nationale identiteit daarbij als een collectieve fictie, die gemakkelijk kan ontsporen in etnisch-cultureel superioriteitsdenken, discriminatie en racisme Racisme Lees meer . De Leuvense historicus Lode Wils
Wils, Lode Lode Wils (1929-2024) was emeritus hoogleraar eigentijdse geschiedenis. Hij publiceerde voornamelijk over het katholieke flamingantisme en geldt als een van de belangrijkste geschiedschri... Lees meer paste dit constructivistische model als een van de eersten toe op de geschiedenis van de Vlaamse beweging.
Alternatieve perspectieven: etnosymbolisme en ‘history from below’
Bij het constructivisme werden vanaf het einde van de jaren 1990 een aantal kanttekeningen geplaatst. In het spoor van de Britse historicus en socioloog Anthony D. Smith, een oud-student van Gellner en grondlegger van het zogenoemde etnosymbolisme, wezen historici als Marnix Beyen en Maarten van Ginderachter en literatuurwetenschappers als Kris Humbeeck en Kevin Absillis op de eenzijdigheden van deze benadering. Hoewel verbeelding en culturele narratieven een fundamentele rol spelen, zijn nationale identiteiten en gemeenschappen volgens Smith veel meer dan alleen discursieve constructies. In het etnosymbolisch perspectief wordt de natie immers niet zomaar uit het niets ‘uitgevonden’ door een nationalistische elite, maar is zij minstens ten dele gestoeld op gemeenschappelijke etnische tradities die voorafgaan aan een van bovenaf gestuurd natievormingsproject. Natievorming is volgens Smith dan ook geen louter modern verschijnsel. Zonder daarom een ‘primordialistische’ visie op nationale identiteit aan te hangen, wijst hij op de continuïteit met premoderne gemeenschapsvorming, die zichtbaar wordt in wat Smith etnosymbolisch kapitaal noemt: verhalen, mythen, gebruiken en symbolen die van generatie op generatie worden overgeleverd en waar een nationaal project zich op moet beroepen wil het succesvol zijn.
Hoewel het etnosymbolisme van Smith met zijn aandacht voor volkse culturele tradities een correctie aanbracht op de top-down-oriëntering van het constructivisme, stelde ook deze benadering scherp op de nationale elites en bleven bredere lagen van de bevolking doorgaans buiten beeld. Binnen het historisch onderzoek kwam er, vanaf het eerste decennium van deze eeuw, aandacht vanuit een ‘from below’-standpunt voor wat werd omschreven als ‘alledaags nationalisme’. De aanzet daarvoor was het artikel ‘Everyday nationhood’ van Jon E. Fox en Cynthia Miller-Idriss uit 2008. Daarin lag de focus op hoe ‘gewone mensen’ de natie (al dan niet) beleefden in hun dagelijkse leven. In hoeverre namen zij het nationalistische discours over dat hen van bovenaf werd opgelegd? (zie Everyday nationalism Everyday nationalism ‘Everyday nationalism’ (alledaags nationalisme) verwijst naar de praktijken waarmee gewone mensen in de uiteenlopende contexten van hun dagelijkse leven het nationalisme en de natie (al d... Lees meer ) Deze accentverschuiving naar ‘gewone mensen’ ging hand in hand met een op Rogers Brubakers onderzoek geïnspireerde aandacht voor ‘identificatieprocessen’ en zorgde voor de doorbraak van de zogenaamde ‘performative turn’ in het onderzoek naar natievorming. Historisch onderzoek verlegde zich zo naar de alledaagse praktijken waarmee mensen natievorming al dan niet op een actieve manier beleefden.
Toch hebben de hierboven behandelde onderzoekmodellen, in weerwil van hun onderlinge verschillen, een gedeeld uitgangspunt. In al hun verscheidenheid willen deze benaderingen laten zien dat, net zoals het ontstaan en de groei van naties geen onafwendbare processen zijn met een bij voorbaat vastgelegd einddoel, een nationale identiteit geen onveranderlijk gegeven is. Zowel het constructivisme als het etnosymbolisme en het ‘from below’-perspectief gaan er van uit dat een nationale identiteit geen natuurlijk gegeven is, maar een (inter)subjectieve constructie. Deze methodologische verschuivingen vormen een gedeeltelijke verklaring voor de paradoxale situatie waarin het denken over nationale identiteit zich vandaag bevindt: hoe vaker de term ‘identiteit’ voorkomt, hoe minder werkelijkheidsgehalte aan de inhoud ervan wordt toegeschreven. De toegenomen belangstelling voor het geconstrueerde en symbolische karakter van de natie – of natieconstructie nu van bovenaf of van onderuit gebeurt – en de vervanging van de term ‘identiteit’ door ‘identificatie’ illustreren die paradox.
Filosofische achtergrond
Vanuit filosofisch perspectief hebben de hierboven geschetste methodologische verschuivingen in de historische studie van (de Vlaamse) identiteit, waardoor zij niet langer als ‘zijnswijze’ maar veeleer als ‘zienswijze’ wordt beschouwd, diepere oorzaken die zelfs tot aan het einde van de middeleeuwen teruggaan. In de 14de eeuw woedde de zogenaamde universaliënstrijd rond het statuut van ideeën of essenties tussen de realisten en de nominalisten. Tijdens het overgrote deel van het middeleeuwse tijdvak was het realisme dominant geweest. Voor de realisten vormden ideeën de echte, immateriële werkelijkheid en was de zintuiglijke realiteit maar een afgezwakte vorm van werkelijkheid. Voor de nominalisten daarentegen was de zintuiglijke realiteit de echte werkelijkheid en waren ideeën niet meer dan concepten in de menselijke geest, waarmee men orde in de zintuiglijke werkelijkheid wilde aanbrengen. Uiteindelijk zouden de nominalisten deze strijd winnen.
Tot op vandaag vormen de uitgangspunten van het laatmiddeleeuwse nominalisme het centrale referentiekader waarmee we naar de werkelijkheid kijken: er bestaan geen ideeën, essenties of universalia buiten de menselijke geest; alleen particuliere individuen of dingen hebben een werkelijk of ontologisch statuut. Dit nominalistische uitgangspunt, dat het bereik van ontologie inperkte tot dat van de materiële werkelijkheid, structureert nog steeds het moderne en hedendaagse denken en laat met betrekking tot het statuut van essenties of universalia slechts één opvatting toe: ideeën, zoals identiteit er één is, zijn louter menselijke constructies.
Zowel de Verlichting als de Romantiek zijn schatplichtig aan dit nominalistische uitgangspunt dat ideeën niet meer zijn dan mentale constructies. Denkers van de Verlichting legden daarbij de klemtoon op de kracht van de rationaliteit om die ideeën te construeren. Volgens Immanuel Kant legt de mens immers zijn ideeën, voorafgaand aan de ervaring, aan de werkelijkheid op. Denkers van de Romantiek wezen de kracht van de rationaliteit om die ideeën te construeren niet af, maar het menselijke denken kan die ideeën volgens hen slechts door middel van taal construeren. Omdat talen van elkaar verschillen en een andere historische achtergrond hebben, stelden romantische denkers als Johann Georg Hamann en Johann Gottfried von Herder dat ideeën nooit universeel zijn, zoals Kant dacht, maar de historische aard van een volk weerspiegelen.
Met hun kritiek op Kant stelden zij dus niet alleen het universele, eeuwige en onpartijdige karakter van ideeën ter discussie, maar onderstreepten ze tevens het tijd-, cultuur- en taalgebonden karakter ervan. Zo legden ze de fundamenten van een stroming die men traditioneel omschrijft als de romantische Sturm und Drang-beweging of de ‘Tegen-Verlichting’ – de term is van Isaiah Berlin. Toch is deze ‘Tegen-Verlichting’ lang niet zo irrationeel als vaak wordt beweerd. Zij zegt niet dat rationaliteit geen zeggingskracht heeft, ze zegt wel dat de rede in haar uitspraken en oordelen altijd mee wordt bepaald door de culturele achtergrond van waaruit zij opereert. Zij zegt, met andere woorden, dat de rede zich nooit volledig aan de invloed van de cultuur kan onttrekken en in die zin dus nooit volkomen ‘zuiver’ kan zijn.
Zowel de Verlichting als de Romantiek vertrekken dus van de inbreng van het menselijk subject om ideeën te construeren. Maar ook met betrekking tot het statuut van dat subject is er een verschil tussen verlichte en romantische denkers. In de Verlichting construeert het subject de werkelijkheid door haar op een afstandelijke manier in kaart te brengen. In de Romantiek krijgt het subject daarentegen een grotere en meer betrokken rol in de constructie van de werkelijkheid. Het laatstgenoemde proces heeft volgens de romantici repercussies voor het statuut van het menselijk subject zelf, in die zin dat dit subject zich in de geconstrueerde werkelijkheid herkent.
Toegepast op de vraag naar de invulling van een nationale of volksidentiteit, betekent de romantische positie dat de wijze waarop we de werkelijkheid construeren tegelijk onze diepste wezensaard uitmaakt. Vandaar dat de vroegere termen voor wat we vandaag ‘identiteit’ of ‘identificatie’ noemen, zoals ‘ziel’, ‘wezen’, ‘volksaard’, ‘volksgeest’, ‘eigenheid’, allemaal uit de Romantiek stammen. Het gevolg is dat het concept ‘identiteit’ in de romantische zienswijze gaandeweg een paradoxaal statuut kreeg. Enerzijds was er het aanvankelijk slechts sluimerend bewustzijn van het verbeelde karakter ervan, anderzijds herkende men in die verbeelde constructie de werkelijkheid waaraan men vorm wil geven. Met andere woorden, een romantische opvatting van identiteit heeft de ambigue status tegelijk een ‘zienswijze’ en een ‘zijnswijze’ te zijn en de invulling van een nationalistische identiteit balanceert daardoor vaak op de dunne lijn tussen een dynamische en een essentialistische visie.
Het onderscheid tussen een verlicht en romantisch concept van identiteit overlapt tot op zekere hoogte met het onderscheid tussen civiel en etnisch nationalisme. Terwijl in een civiel nationalistische optiek identiteit vooral stoelt op gedeelde politieke participatie in een moderne staat, definieert etnisch nationalisme zich allereerst op basis van een gedeelde etniciteit of een gemeenschappelijk verleden. Het taal- en culturele nationalisme van de Vlaamse beweging was en is niet ondubbelzinnig civiel of etnisch. Zoals verderop zal blijken, vertoont het denken van onderling erg uiteenlopende actoren – van Hendrik Conscience tot Bart de Wever – kenmerken van beide categorieën. Het illustreert hoe de Vlaamse beweging in al haar diversiteit schatplichtig is aan de dubbele erfenis van Romantiek en Verlichting. Deze constante ambiguïteit verklaart wellicht mede waarom de Vlaams(-Belgisch)e identiteit in de loop van de geschiedenis zoveel debat en verschillende invullingen heeft uitgelokt.
Identiteit: een modern concept
In de premoderne tijd – in West-Europa grosso modo vóór de Franse Revolutie (1789) – had de term identiteit echter een heel andere lading dan wat wij er sinds de Verlichting en de Romantiek onder verstaan. In een premoderne, hiërarchisch gestructureerde samenleving viel de identiteit van een persoon min of meer samen met de plaats die men in de maatschappelijke geledingen innam. Die oude, maatschappelijk afgeleide identiteit stoelde immers op een door iedereen min of meer aanvaarde sociale ordening en diende daarom niet afgedwongen te worden. Gevolg was dat deze identiteit net verworven werd door afstand te nemen van de uiterlijke kenmerken die iemand toevallig bepaalden en er zich innerlijk van te bevrijden, met name door zich op het standpunt te plaatsen van wat universeel geldig en waar is.
Nemen we bijvoorbeeld het statuut van religieuze identiteit. Religie in een premoderne cultuur, zo stelt de Franse socioloog en historicus Marcel Gauchet, verwees allereerst naar het intrinsieke gezag van een inhoud die van hoger kwam en aan elk mens voorafging. Waardevol was datgene wat aan ieder van ons werd aangeboden. In de premoderne periode vond een religieuze identiteit haar maatschappelijke rechtvaardiging dus in een voor iedereen gegeven aanbod van waarheid en zin. Met de doorbraak van de moderne cultuur, de opkomst van eerst de politieke en later de bredere maatschappelijke democratisering en de geleidelijke afbraak van die hiërarchische ordening, veranderde de religieuze identiteitsvorming van gedaante. Individuen werden steeds minder afhankelijk van hiërarchisch-sociale structuren en steeds meer van elkaar. Daardoor werd de uitbouw van een identiteit problematischer, want meer afhankelijk van wederzijdse erkenning. De afbraak van een hiërarchische ordening en het betekenisverlies dat daarmee gepaard ging, is dus niet zonder gevolgen gebleven voor de manier waarop het moderne individu – zeker vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw – zijn identiteit begon in te vullen en te verdedigen.
In een hedendaagse samenleving, zo toont opnieuw Gauchet aan, staan de ‘identiteiten nieuwe stijl’ volkomen haaks op de ‘oude’ identiteiten. Bij gebrek aan een overkoepelende, hiërarchische ordening dienen individuen en groepen zich niet langer van binnenuit te bevrijden van de toevallige kenmerken die hen bepalen. Integendeel, om hun identiteit te vinden, hoeven ze alleen nog maar ‘zichzelf te zijn’. Net daardoor, aldus Gauchet, verandert echter de betekenis van dit ‘zichzelf zijn’. In plaats van privé-overtuigingen te bevragen vanuit het perspectief van wat universeel geldig en waar is, krijgen privé-overtuigingen nu het statuut van identiteiten. Men heeft niet alleen een overtuiging, men is die overtuiging, men ontleent er zijn identiteit aan. Vandaag is men vegetariër, antiglobalist, ecologist, transgender, homoseksueel, wit of zwart, Vlaming of Waal.
Die verandering geldt ook voor het statuut van een religieuze identiteit. Vandaag stoelt de legitimiteit ervan op het recht als individu om op zoek te gaan naar waarheid, zin en betekenis. Het geloof is een subjectieve aangelegenheid geworden die als zodanig om erkenning vraagt. Als het product van de menselijke geest, in dienst van wereldse doeleinden, eist de religie, net zoals elke andere levensbeschouwing, de erkenning van haar eigen identiteit door de staat op. Van nu af aan is de kern van de religieuze houding een zoeken en niet langer een ontvangen. Net zoals men vandaag vegetariër, antiglobalist, ecologist, transgender, homoseksueel, wit of zwart, Vlaming of Waal is, is men ook katholiek of moslim, hoezeer ook de inhoudelijke invulling van die identiteit individueel kan variëren.
Deze moderne identiteiten maken geen enkele aanspraak meer op universele waarheid, zoals dat wel gold voor premoderne vormen van algemeen aanvaarde identiteiten. Hedendaagse vormen van identiteit – die individueel of ten hoogste aan een bepaalde groep gebonden zijn – willen enkel in hun specificiteit erkend worden. Het nieuwe van de moderne opvatting van identiteit schuilt dus niet zozeer in de noodzaak tot erkenning, als wel in de vaststelling dat de poging tot erkenning kan mislukken en ook vaak daadwerkelijk mislukt. Net het aanvoelen van het problematische statuut ervan, heeft de term ‘identiteit’ gaandeweg tot een meer bespreekbaar onderwerp gemaakt en de behoefte aan juridische erkenning ervan versterkt.
Twee moderne visies op erkenning van identiteit. Verlichting en Romantiek
In de moderne tijd – zeker vanaf de 18de eeuw – wordt deze erkenning van iemands identiteit (individu of volk) op minstens twee manieren opgeëist. Enerzijds wordt de vraag naar erkenning van identiteit beantwoord door het wettelijk vastleggen van de gelijkwaardigheid, onafhankelijk van alle feitelijke verschillen qua geslacht, overtuiging, etnische en sociale afkomst, taal, seksuele voorkeur, enzovoort. Anderzijds zoekt men een antwoord op die vraag door gelijkwaardigheid te omschrijven in termen van verschil. Er bestaan dus twee opvattingen over gelijkwaardigheid: één die de universele erkenning van elk individu of volk wil beschermen door abstractie te maken van alle individuele verschillen, de ander door net de individuele verschillen te beklemtonen en ze tot onderdeel van erkenning te maken.
De eerste opvatting stamt uit de Verlichting. Ze is schatplichtig aan de filosofie van Kant uit de 18de eeuw en krijgt in de 20ste eeuw een sociaal-politieke invulling in de rechtvaardigheidstheorieën van de Amerikaanse filosoof John Rawls. Ze stelt dat we allemaal universeel mens zijn én dat daarom iedereen recht heeft op evenredige deelname aan het politieke en maatschappelijke leven, gelijkwaardig is en erkenning verdient, ongeacht de grote onderlinge verschillen.
De tweede opvatting stamt in belangrijke mate uit de Romantiek. Meer dan de rationalistische Verlichtingsdenkers waren de romantici gevoelig voor de innerlijke schakeringen van het individuele gevoelsleven en voor de historische wortels van particuliere gemeenschappen. Daarenboven leerde de ervaring dat een beroep op universele menselijkheid de talloze vormen van discriminatie niet zomaar deed verdwijnen. Ondanks het principiële richtsnoer van de gelijkwaardigheid behandelden de Amerikaanse revolutionairen in de late 18de eeuw de zwarte slaven niet gelijk, maar ongelijk, net zoals – omgekeerd – de Franse revolutionairen in dezelfde periode de aristocraten en de clerus niet gelijk, maar ongelijk bejegenden. De romantici vonden die Verlichtingsopvatting in haar abstractie dan ook veel te oppervlakkig: mensen willen immers erkenning voor hun unieke eigenheid, met andere woorden, voor de concrete verschillen waarmee zij zich als individu en als historische gemeenschap identificeren.
In de hiernavolgende bijdrage wordt het meanderende en grillige parcours van het denken over de Vlaamse identiteit en de in de Vlaamse beweging gehanteerde identificatiemodellen in kaart gebracht, tegen de achtergrond van de spanning tussen Verlichting en Romantiek enerzijds en civiel en etnisch nationalisme anderzijds. Aan de hand van de geschiedenis van (het schrijven en denken over) de Vlaamse beweging kan zo worden nagegaan hoe de betekenis van de Vlaamse identiteit is geëvolueerd.
Verlichting en Romantiek in de Zuidelijke Nederlanden tot 1830. Het ontstaan van een Belgische identiteit
Beide visies op de erkenning van een (individuele en collectieve) identiteit hebben een rol gespeeld in het ontstaan van de Vlaamse (en Belgische) beweging. Naarmate de 18de eeuw vorderde, ontkiemde er een nationaal gevoel in de Zuidelijke Nederlanden. Het ontstond als reactie tegen een liberaal, door de Verlichting geïnspireerd concept van politiek, waarin de rechten van het individu centraal stonden. Groepsrechten, op basis van bijvoorbeeld levensbeschouwelijke of sociaaleconomische verwantschap, vonden hooguit vertegenwoordiging binnen vrijwillige verbanden. Deze kritiek nam aanvankelijk vooral levensbeschouwelijke (katholieke) vormen aan.
De wisselwerking tussen romantische en verlichte invloeden was reeds zichtbaar in 1789 tijdens de Brabantse Omwenteling. Voorvechters ervan verzetten zich tegen de moderniseringspolitiek van de Oostenrijkse keizer Jozef II, die de oude rechten en zelfstandigheid van de Kerk en van de plaatselijke en gewestelijke elites bedreigde. Zo wilde onder meer de jezuïet François Xavier de Feller het Belgische volk vrijwaren van de met het Frans overgewaaide rationalistische en antiklerikale Verlichting. Naast dit behoudsgezinde streven was er echter ook een Verlichtingsgezinde tendens naar vernieuwing.
Uit deze twee richtingen ontstond een eerste aanzet tot partijvorming: de restauratieve Van der Noot-aanhangers tegenover de democratische Vonckisten. Zo droegen Verlichte en Romantische tendensen qua opvatting over identiteit op een diametraal tegenovergestelde manier bij tot de drang naar Belgische ontvoogding. Deze omwenteling wordt wel eens ‘de eerste Belgische Revolutie
Belgische Revolutie De Belgische Revolutie is de naam van de opstand van 1830-1831 in de zuidelijke provincies van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden van koning Willem I. De opstand leidde tot de splits... Lees meer ’ genoemd, omdat de strijd voor onafhankelijkheid in 1830 in meer dan één opzicht op de Brabantse omwenteling voortbouwde. Als onderdeel van het Oostenrijks-Habsburgse rijk was er toen reeds het aanvoelen van de Zuidelijke Nederlanden als een afzonderlijke entiteit met een eigen culturele identiteit, zo blijkt uit etnosymbolisch geïnspireerd onderzoek naar de Belgische natievorming.
Dit aanvoelen van een eigen culturele identiteit verbond de Brusselse advocaat Jan Baptist Verlooy
Verlooy, Jan Baptist Jan Baptist Verlooy (1746-1797) was een Brusselse advocaat en activist die schatplichtig was aan verlichte Franse denkers en ijverde voor het gebruik van het Nederlands als officiële taal... Lees meer met een kritiek op de verwaarlozing van het ‘Nederduytsch’ in de Zuidelijke Nederlanden, de taal die van oudsher door een meerderheid in dat gebied was gehanteerd. In 1788 publiceerde hij zijn Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden. In het verlengde van zijn Verlichtingsidealen zag hij deze moedertaal als de motor tot culturele ontplooiing en sociale emancipatie van wat hij omschreef als het Vlaamse volk. Of taal al dan niet een prominente rol heeft gespeeld in de ontluikende proto-Belgische natievorming of juist in een opkomend Vlaams identiteitsbesef, blijft stof voor verder historisch onderzoek. Wel staat vast dat in 1795 aan die mogelijke band tussen de ontwikkeling van de volkstaal en het pas ontloken nationaal bewustzijn en cultureel identiteitsbesef een abrupt einde kwam met de Franse annexatie.
Toch werkte de Franse annexatie van de Zuidelijke Nederlanden wellicht ongewild de groei van een gemeenschappelijke Belgische / Zuid-Nederlandse identiteit in de hand. Het prinsbisdom Luik, inclusief het huidige Limburg, dat altijd buiten de Zuidelijke Nederlanden was gebleven, werd door het revolutionaire Frankrijk ingelijfd. Bovendien probeerde de Franse overheid de idee van de Belgische vrijheidsliefde met het Franse revolutionaire gedachtegoed te verbinden. Door te beklemtonen dat het volk uit het ancien regime was bevrijd zorgde zij voor de doorbraak van een modern democratisch-revolutionair natiebegrip in de vorm van een ‘Belgisch identiteitsbesef’. Tegelijk voerde Frankrijk
Frankrijk & Vlaanderen De verhouding tussen Vlaanderen en Frankrijk werd altijd gekenmerkt door een aanzienlijke dubbelzinnigheid. Hoewel er lange tijd een grote affiniteit met de Franse cultuur bestond, werd d... Lees meer , onder het motto ‘één rijk, één taal’, een verfransing van het openbare leven door, met inbegrip van het onderwijs Onderwijs Lees meer , waardoor de schuchtere aanzetten tot een Vlaamse taalpolitiek in de Oostenrijkse tijd geen vervolg kregen. Verlooy werd in 1795 weliswaar burgemeester van Brussel Brussel In de geschiedenis van de Vlaamse beweging speelde Brussel een unieke rol vanwege haar hoofdstedelijke functies, economische aantrekkingskracht en als symbool van verfransing, die zich v... Lees meer en de taalbewuste literator en publicist Willem Verhoeven
Verhoeven, Willem Willem Verhoeven (1738-1809) was een Vlaams toneel- en geschiedschrijver, die in zijn geschriften het gebruik van het Nederlands en de ontwikkeling van de Vlaamse cultuur verdedigde als r... Lees meer schepen in Mechelen, maar beiden namen vroegtijdig ontslag uit ontgoocheling over de verfransingspolitiek.
Het taalpolitieke tij keerde echter snel. Na de val van Napoleon in 1815 werden de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden om geopolitieke redenen samengesmeed tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder leiding van koning Willem I
der Nederlanden, Willem I Willem I (1772-1843) was koning der Nederlanden van 1815 tot 1840, en dus ook tussen 1815 en 1830 (de jure tot 1839) van het zuidelijke deel daarvan. Zijn beleid inzake de nationale taal ... Lees meer . Onder het motto ‘één taal, één staat, één volk’ – een variant op het Franse principe – wilde hij van bovenaf een staatsnationalisme tot stand brengen, waarbinnen de Nederlandse taal als hefboom fungeerde om de onderlinge eenheid te versterken. Hij creëerde taalwetten voor de vernederlandsing van de administratie en voerde op alle onderwijsniveaus de moedertaal in. Toch slaagde Willem I er niet in om via die taalpolitiek en het propageren van een herinneringscultuur een nationaal identiteitsbesef te construeren.
Die mislukking had twee oorzaken. Allereerst tekende de meerderheid in de Zuidelijke Nederlanden – zeker in wat vandaag Wallonië heet, maar ook in ‘Vlaanderen’ – bezwaar aan tegen het doortastende taalpolitieke optreden van de Nederlandse vorst. De, zeker na de annexatie door Frankrijk verfranste, burgerij was sterk gekant tegen de op het Nederlands gebaseerde natievorming. Bovendien vond Willem I met zijn protestantse achtergrond niet de nodige steun voor zijn taalpolitiek bij de overwegend katholieke opinie in het Zuiden. Levensbeschouwelijk was het Noorden al meer dan drie eeuwen ‘gestempeld’ door de protestantse reformatie, terwijl in het Zuiden de katholieke contrareformatie de cultuur en mentaliteit vorm had gegeven. Willems nadruk op de bestrijding van het ultramontaanse katholicisme, dat hij als fanatiek beschouwde, wekte bij taalbewuste katholieken zoveel weerstand op dat sommigen onder hen uiteindelijk zelfs een vorm van verfransing verkozen. Tussen 1815 en 1830 werd die wederzijdse vervreemding nog versterkt door een perceptie van het Nederlands als een cultuurpolitiek imperialistisch wapen, gericht op een algemene ‘verhollandsing’ ten koste van de Vlaamse/Belgische identiteit.
Historisch onderzoek heeft wel aangetoond dat Willems taalpolitiek niet helemaal is mislukt. Zowel in de administratie als in het gerecht verliep de geplande vernederlandsing van het openbare leven in Vlaanderen behoorlijk vlot, hoewel die pas vanaf 1 januari 1823 verplicht werd. Janneke Weijermars heeft gedetailleerd beschreven hoe Willem I via tal van maatregelen probeerde om zijn greep op het zuidelijke literaire leven te vergroten en de onderlinge eenheid te versterken. Leerssen heeft aangetoond dat, door de contacten met het Noorden en het stimuleren van literatuur en onderwijs in de moedertaal, de kennis van het Nederlands wel degelijk was verbeterd.
Toch zou deze ‘top down’ opgelegde taalpolitiek Noord en Zuid niet dichter bij elkaar brengen. Terwijl voor sommige Vlaamse auteurs de Noord-Nederlandse literatuur richtinggevend werd, versterkte de band met het Noorden bij anderen net het verlangen naar culturele eigenheid. Enerzijds had de taalpolitiek in de periode 1815-1830 dus mogelijkheden voor de constructie van een Vlaamse identiteit binnen het nieuwe Koninkrijk gecreëerd, anderzijds vormde de gespannen verhouding met Nederland Nederland Nederland is met Vlaanderen verbonden door de economische infrastructuur, de taal en de geschiedenis. Vanaf eind 18de eeuw kreeg die verbondenheid in taal en cultuur op uiteenlopende mani... Lees meer , die zich zowel religieus als algemeen-cultureel manifesteerde, een sterk motief voor de constructie van een Belgisch identificatiemodel.
Die culturele en levensbeschouwelijke kloof werd nog uitgediept door bijkomende politieke spanningen. Gaandeweg vonden – onder invloed van de verlichte idealen uit het revolutionaire Frankrijk – katholieken met liberale ideeën en liberalen die een antiklerikale regeringspolitiek inruilden voor het streven naar vrijheid, elkaar. Net de samenwerking tussen liberalen en katholieken die einde jaren 1820 tot stand was gekomen, zette de transformatie in gang naar een Belgisch-nationale oppositie. Hun grootste bezwaar tegen Willem was dat nationale integratie niet zonder meer van overheidswege kon worden opgelegd.
Onder invloed van de Europese revoluties van 1830 brak in de Zuidelijke Nederlanden een opstand tegen Willem I uit, die uiteindelijk uitmondde in de stichting van het onafhankelijke België Liberalen en katholieken rechtvaardigden deze Belgische Revolutie
Belgische Revolutie De Belgische Revolutie is de naam van de opstand van 1830-1831 in de zuidelijke provincies van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden van koning Willem I. De opstand leidde tot de splits... Lees meer als een strijd van de Belgen voor nationale vrijheid. Daarin speelde de gevoeligheid voor vrijheid en een eigen Belgische identiteit (‘volksaard’) die onder de hybride invloed van Verlichting en Romantiek reeds aanwezig was in de Brabantse Omwenteling, een centrale rol. Vooral na 1839, toen het definitieve Belgische grondgebied was vastgelegd, zouden nationale geschiedschrijvers die vrijheidsdrang als een essentieel bestanddeel van de Belgische volksaard voorstellen. Dat historisch enthousiasme ‘weerspiegelde de nationaal-romantische euforie die in het jonge België heerste,’ zo schreef Jo Tollebeek. Het ontstaan van België werd ervaren als de bekroning van een ‘geest van onafhankelijkheid en nationaliteit die in de harten van de Belgen na eeuwen van onderdrukking nooit was gedoofd’. De jonge staat werd niet gezien als een van bovenaf opgelegde constructie, maar als de evidente uitdrukking van een werkelijk bestaande nationale identiteit. In de vorming van die Belgische identiteit speelden ook vijandbeelden een belangrijke structurerende rol. Zoals de Belgisch-nationale vertelling het voorstelde, was de jonge natie steeds in haar ontwikkeling gefnuikt geweest door buitenlandse dwingelanden: eerst door de Oostenrijkers, daarna door de Fransen en vervolgens door de Nederlanders. Nu eens had de taal dan weer de levensbeschouwing als een doelwit gefungeerd, waarmee de vijand telkens werd geassocieerd.
Zoals steeds bevestigen uitzonderingen de regel, ook wat deze algemene karakterisering van de scheiding tussen België en Nederland betreft. In het nieuwe koninkrijk België
België Geen Vlaamse beweging zonder België. Het is ook onmogelijk om België te begrijpen zonder de geschiedenis van de Vlaamse beweging erbij te betrekken. Tussen het ontstaan van een culturele ... Lees meer was er immers een vaak vergeten groep die de scheiding betreurde: de Belgische orangisten Orangisme Het orangisme is de verzamelterm voor het verzet tegen de Belgische afsplitsing van het Koninkrijk der Nederland onder leiding van Willem I van Oranje. Lees meer . Els Witte heeft aangetoond hoe dat orangisme regionaal en maatschappelijk vrij breed vertakt was, met Gent, Antwerpen en Verviers als belangrijkste bolwerken. Het orangisme was trouwens niet alleen een zaak van Vlamingen maar ook van Walen en, naast protestanten, ook van katholieken en liberalen.
De Belgische natie en de opkomst van de Vlaamse beweging tussen 1830 en 1914
Na de Belgische omwenteling voltrok zich een dubbele evolutie. Enerzijds was er de snelle verfransing in de administratie, het gerecht Gerecht Lees meer en het onderwijs, anderzijds kwam er een beweging op gang die ijverde voor de erkenning van het Nederlands/Vlaams en die in eerste instantie vooral haar aanhang vond onder de lagere clerus, onderwijzers, literatoren, musici Muziek Lees meer en beeldende kunstenaars
Beeldende kunst De beeldende kunsten en de Vlaamse beweging onderhielden van 1830 tot vandaag een complexe en gelaagde relatie, die pendelde tussen gematigde sympathie, radicaal engagement en kritische a... Lees meer . Tegen die achtergrond duiken twee vragen op. 1) Wanneer werd de Vlaamse identiteit, die initieel harmonieus samenging met een Belgisch nationaal gevoel, gerecupereerd door een anti-Belgische beweging? 2) Hoe was deze Vlaamse identiteit ontstaan? Was ze een product van het Belgische nationalisme? Of was er al vóór het ontstaan van België sprake van een proto-Vlaams natiebesef, te weten: een geheel van verhaaltradities in de volkscultuur waarnaar vroege flaminganten zoals bijvoorbeeld Hendrik Conscience
Conscience, Hendrik Hendrik Conscience (1812-1883) was de eerste auteur die het in België aandurfde een roman in het Nederlands te schrijven en te publiceren. Zijn oeuvre van zo’n 65 romans, dat ook een bred... Lees meer teruggrepen?
Vlaamse identiteitsvorming binnen een Belgisch kader
Aanvankelijk genoten de ontluikende Vlaamse beweging en haar prille identitaire project de volle steun van de Franstalige Belgische elites. De verdere ontwikkeling van een Vlaamse taal en cultuur speelde in hun ogen immers in het voordeel van de Belgische staat. Om het jonge België culturele legitimiteit te verschaffen tegenover het buitenland (in het bijzonder het van imperialisme verdachte Frankrijk), cultiveerden zij het idee dat de Belgische ziel een symbiose vormde van Germaanse en Latijnse invloeden. De eerste generatie flaminganten deelde deze Belgisch-patriottische overtuiging en streefde naar tweetaligheid. Door te ijveren voor de erkenning van het Nederlands naast het Frans meenden zij hun vaderland een dienst te bewijzen. Dit verklaart waarom het gros van de vroege flamingantische teksten gesitueerd moeten worden binnen een streven naar (Vlaams-)Belgische identiteitsvorming. Volgens de dominante visie onder historici ontleende de vroege Vlaamse beweging haar belangrijkste symbolen en zelfbeeld dan ook aan het Belgische nationalisme. Ze nam bovendien het Belgische vijandbeeld (Frankrijk en andere vreemde dwingelanden) over. Vanuit dit constructivistische perspectief dienen de eerste flaminganten, in het bijzonder Hendrik Conscience, beschouwd te worden als de scheppers van de Vlaams(-Belgisch)e natie. Conscience zou een mythische atmosfeer rond de Guldensporenslag
Guldensporenslag De Guldensporenslag was een veldslag op de Groeningekouter nabij Kortrijk op 11 juli 1302. Hierbij werd het Franse ridderleger verslagen. De slag kreeg in de Vlaamse beweging een symbolis... Lees meer hebben gecreëerd en zo aan de wieg hebben gestaan van een Vlaams(-Belgisch) identiteitsgevoel.
Véronique Lambert heeft er echter op gewezen dat al in de eerste helft van de 14de eeuw Lodewijk van Velthem in zijn Spiegel Historiael het jaar 1302 had verbonden met verzet tegen de Fransen en een verknochtheid aan de eigen taal. Tom Verschaffel heeft aangetoond dat de legendevorming rond Jan Breydel en Pieter de Coninck
Breidel en De Coninck Jan Breidel en Pieter de Coninck waren volksleiders in de vroege 14de eeuw. Door de Vlaamse beweging werden ze later vereerd als helden van de vrijheidsstrijd en het Vlaamse verzet tegen ... Lees meer als uitdrukking van de Vlaams-Franse tegenstelling reeds in de 18de eeuw breed verspreid was. En Gerd Nörtemann beargumenteerde dat de mythe van de Guldensporenslag al rond 1890 een krachtige motor van een Vlaams (maar daarom nog niet anti-Belgisch) natiebesef vormde. Het lijken argumenten pro een etnosymbolische lezing van de feiten, waarin Conscience het Vlaamse identiteitsgevoel niet eigenhandig hoefde uit te vinden, maar – in de woorden van Kevin Absillis – ‘oude verhaaltradities in een volwaardig nationaal epos’ transformeerde.
De vroege Vlaamse beweging en de door haar gecultiveerde Vlaams-Belgische identiteit werden geïnspireerd door de liberale maar ook aan de Romantiek verwante klemtoon op het zelfbeschikkingsrecht van elk volk en elke natie. Zo had het flamingantisme van Hendrik Conscience, Theodoor van Ryswyck
Van Ryswyck, Theodoor Theodoor van Ryswyck (1811-1849) was een Vlaamse dichter die in dichtbundels, kranten en tijdschriften een omvangrijk literair oeuvre bij elkaar schreef. Met zijn gedichten gaf hij vorm a... Lees meer en Jan Jacob de Laet
De Laet, Jan Jacob Jan de Laet (1815-1891) was een Antwerpse zakenman en Vlaamsgezind politicus voor de Meetingpartij. Hij was de vader van de ‘tweede taalwet’ van 1878, op het taalgebruik in bestuurszaken.... Lees meer een liberaal-romantische oriëntering. In zijn studie Het slechte geweten van Vlaanderen (2022) betoogt Absillis dan ook dat de beroemde slotzin van Consciences De Leeuw van Vlaenderen
De leeuw van Vlaenderen De leeuw van Vlaenderen (1838) is een historische roman van Hendrik Conscience over de gebeurtenissen rond de Guldensporenslag in 1302. Verschillende leuzen en symbolen uit de roman zijn ... Lees meer , ‘Gij Vlamingen, die dit boek gelezen hebt, gedenkt wat Vlaanderen eertijds was, wat het nu is en nog meer wat het worden zal, indien gij de roemrijke daden uwer voorvaderen vergeet!’ juist Consciences gevoeligheid voor het vrijheidsstreven van Vlamingen en Belgen etaleert. Die gevoeligheid leunde evenzeer bij de Verlichting als bij de Romantiek aan. Uit zijn literair geconstrueerde Vlaamse identiteit sprak een dynamisch begrip van de Vlaams(-Belgische) identiteit, waarbij Conscience het moderne vooruitgangsideaal van de jonge Belgische staat probeerde te verzoenen met respect voor de eigen (volkse) tradities. Zijn emancipatorische boodschap luidde dat Vlamingen in elk opzicht gelijkwaardig waren aan hun Franstalige landgenoten en dat die gelijkwaardigheid tussen Nederlands- en Franstaligen de Belgische natie alleen maar zou versterken. Daarom schreef hij in de Vlaamse volkstaal en wilde hij zijn gemeenschap een eigen cultuur schenken. Door zich af te zetten tegen latere recuperatiepogingen van Consciences oeuvre laat Absillis zien dat de Antwerpse schrijver, hoe zeer hij ook een kind was van zijn tijd, geen xenofobe verhalen vertelde en geen antimoderne essentialist was die een vorm van etnisch nationalisme verdedigde, maar juist de openheid voor andere culturen hoog in het vaandel droeg.
Van unionisme naar levensbeschouwelijke tweespalt
Vanaf 1840 begon de Vlaamse beweging zich ook daadwerkelijk politiek te manifesteren om de verfransing in de Vlaamse provincies in te dammen. De culturele aandacht van de Vlaamse beweging voor taal en literatuur als instrumenten voor identiteitsvorming zette een politieke taalstrijd in gang, onder meer via het ijveren voor een nieuwe taalwetgeving Taalpolitiek en -wetgeving Situaties van taalonderdrukking vindt men wereldwijd. Daarom besteedt deze bijdrage eerst aandacht aan gehanteerde taalpolitieke strategieën. Ook in België verzette een gedomineerde taalg... Lees meer . Dat gebeurde aanvankelijk nog binnen het raamwerk van de samenwerking tussen liberalen en katholieken in de jonge Belgische natie. De kopstukken van de Vlaamse beweging schaarden zich achter die samenwerking, omdat zij vooralsnog de politiek-ideologische tegenstellingen minder belangrijk achtten dan de taalstrijd. Vanaf de jaren 1860 ontstonden er echter barsten in deze wederzijdse verstandhouding. Onder de Vlaamsgezinden begon zich een levensbeschouwelijke confrontatie af te tekenen die de politiek-ideologische strijd zou aanzwengelen. Liberalen en katholieken – de twee grote ideologische kampen in het jonge België – zouden de volgende decennia strijden om de Vlaamse bevolking voor zich te winnen. Naarmate het einde van de 19de eeuw in zicht kwam, escaleerde de polarisatie, zowel tussen katholieken en liberalen als tussen de Vlaamse beweging en de opkomende Waalse beweging.
In de decennialange strijd tussen liberalen en katholieken, ontwikkelden de laatsten een breed gedragen cultuuroffensief dat Henk de Smaele als de ideologische en culturele ‘ruralisering’ van Vlaanderen heeft omschreven. Culturele bemiddelaars zoals de Brugse priester-dichter Guido Gezelle
Gezelle, Guido Guido Gezelle (1830-1899) was een Vlaamse priester die de Vlaamse volkstaal verdedigde binnen het algemeen Nederlands. Hij verwierf grote bekendheid als lyrisch dichter van religieuze nat... Lees meer speelden daarin een centrale rol door het vrome boerenbestaan op systematische basis te idealiseren en te promoten als een wezenlijk Vlaamse levenswijze. Die gevoeligheid voor het rurale Vlaanderen bij heel wat katholieken was niet alleen ingegeven door een groeiend onbehagen over het in hun ogen anti-paaps en francofoon liberaal beleid van de Belgische regering. Ook de oproep van paus Pius IX in zijn encycliek Quanta Cura (1864) om het katholicisme te vrijwaren van al te moderne invloeden, stimuleerde Gezelle en gelijkgestemden om de lof te zingen van het Vlaamse platteland. Gezelle vertolkte daarbij een theologische visie waarin volkeren goddelijke creaties waren en de taal een weerspiegeling van de onvergankelijke, door God gegeven volksziel was. Gezelles adagium ‘Wees Vlaming dien God Vlaming schiep’, dat vervolgens werd overgenomen door de West-Vlaamse studentenbeweging Studentenbeweging Lees meer , bevestigde niet alleen de opkomst van een christelijk traditionalisme, het was ook exemplarisch voor de ambigue evolutie van de Vlaamse identiteitsvorming tegenover België. Enerzijds kon Gezelle zijn theologische visie op de Vlaamse volksaard combineren met een positieve evaluatie van de Belgische revolutie, die immers ook een anti-protestantse revolutie was geweest. Door de Belgische nationaliteit aan te prijzen wilde hij godsdienstvrijheid en vooral de dominante rol van de katholieke Kerk Kerk De verhouding tussen Kerk en Vlaamse beweging vertoont historisch een tweevoudig beeld. Enerzijds waren de godsdienstige en de Vlaamsgezinde overtuiging innig verstrengeld en vormde de cl... Lees meer te verdedigen. Anderzijds faciliteerden, zoals Piet Couttenier liet zien, Gezelles ideeëngoed en dat van de West-Vlaamse School ook een latere strekking binnen de Vlaamse beweging die radicaal zou botsen met België. Omdat een tweetalige natie zoals België geen goddelijke creatie kon zijn, maakten Gezelles navolgers en zelfverklaarde erfgenamen een onderscheid tussen het ‘natuurlijke’ Vlaanderen en het ‘artificiële’ België. Met zijn pleidooi voor de herleving van de (West-)Vlaamse volkstaal wilde Gezelle de Vlamingen terugvoeren naar de traditie van het ware, katholieke geloof.
Binnen de traditie van Gezelle en de West-Vlaamse school huldigde echter niet iedereen deze essentialistische opvattingen over taal en identiteit. Gezelles leerling en belangrijkste promotor, Hugo Verriest
Verriest, Hugo De Vlaamsgezinde en progressieve priester en letterkundige Hugo Verriest (1840-1922) was een van de belangrijkste intellectuele inspirators van de katholieke flamingantische scholieren- e... Lees meer , trachtte dit sterk particularistische standpunt, met de klemtoon op het ‘(West-)Vlaams’ als de taal van het katholieke geloof, zo niet te verlaten, dan toch sterk te verbreden, wat hem soms in conflict bracht met zijn leermeester. Voor Verriest moest de Vlaamse identiteit bij voorkeur katholiek, maar tevens sociaalvoelend, democratisch en pluralistisch zijn en was de Vlaamse beweging meer dan louter een taalstrijd. Ook hij – en andere katholieke auteurs met hem – nam echter zonder aarzelen de rurale topos over in zijn denken en schrijven over Vlaanderen.
De katholieke verbeelding van een eeuwig landelijk Vlaanderen groeide zo uit tot een krachtig ‘counter-narrative’ voor het Vlaams-Belgische discours over gematigde vooruitgang en modernisering, dat de eerste generatie flaminganten huldigde. De middeleeuwse Vlaamse stad gold in laatstgenoemd discours als een sprekend symbool voor welvaart en ondernemingszin, waarden waar het Belgische nationale project zich graag op liet voorstaan. Te denken is aan het invloedrijke gedicht van Karel Lodewijk Ledeganck
Ledeganck, Karel L. Karel Lodewijk Ledeganck (1805-1847) was een Vlaams ambtenaar, politicus, jurist en dichter uit Eeklo. Hij was een cultuurflamingant en schreef een dichterlijke trilogie die in de Vlaamse... Lees meer , ‘De drie zustersteden’ (1864) (zie Literatuur
Literatuur De literatuur heeft een cruciale rol gespeeld in het ontstaan van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd en ook in de daaropvolgende fasen van de Vlaamse natiewording zijn schrijvers vaak richting... Lees meer ). Door het Vlaamse platteland en zijn (religieuze) tradities te verheerlijken, creëerden culturele bemiddelaars zoals Gezelle een nieuw gevoel van eigenwaarde en een alternatief identificatiemodel voor katholieke Vlamingen die zich door de pijlsnelle modernisering van België bedreigd voelden. Op langere termijn zou de ‘culturele ruralisering’ van het in werkelijkheid sterk verstedelijkte Vlaanderen er echter toe bijdragen dat het Vlaamse natiebesef werd losgeweekt uit zijn oorspronkelijk Belgische verband.
Ondertussen werden er overigens ook vanuit vrijzinnige hoek pogingen ondernomen om de Vlaamse identiteit ideologisch te claimen. In 1861 publiceerde de Gentse jurist Julius Vuylsteke
Vuylsteke, Julius De Vlaamsgezinde advocaat, dichter en uitgever Julius Vuylsteke (1836-1903) was het boegbeeld van het Vlaamsgezinde liberalisme. Hij lag aan de basis van de Gentse studentenvereniging ’T ... Lees meer zijn brochure La question flamande et le libéralisme, waarin hij wees op de onverbrekelijke eenheid tussen de pijlers van de Vlaamse beweging en die van het liberalisme. Beide streefden in zijn opvatting naar vrijheid, gelijkheid en beschaving. Door met zijn provocerende leuze Leuzen Lees meer ‘ Klauwaard Klauwaard Klauwaard was een benaming voor de aanhangers van de graaf van Vlaanderen in 1302 en in de 19de en 20ste eeuw een veelgebruikte benaming voor organisaties en publicaties. Lees meer en Geus Geuzen De Geuzen waren opstandige edelen in de 16de-eeuwse Nederlanden, die rebelleerden tegen de Spaanse overheersing. Eind 19de eeuw groeide de term ‘geus’ in Vlaanderen uit tot een populair h... Lees meer ’ te beklemtonen dat een waarachtige Vlaming niet anders dan liberaal kon zijn, droeg Vuylsteke bij tot de toenemende polarisering tussen liberale en katholieke flaminganten.
Communautaire barsten
Vanzelfsprekend moest de prille Vlaamse beweging, ondanks de vaderlandslievende stemming onder de eerste flaminganten, de feitelijke waarheid aanvaarden dat het ‘Vlaams’ nu eenmaal niet de taal van het hele Belgische volk kon zijn. Van meet af aan was er dan ook het sluimerende besef van een Vlaams-Waalse tweeledigheid in België, die de keuze voor ofwel een Belgische ofwel een Vlaamse identiteit op scherp zou kunnen zetten.
Deze Vlaams-Waalse tweeledigheid kwam steeds meer aan de oppervlakte toen de Vlaamse beweging door haar tegenstanders gaandeweg werd vereenzelvigd met het katholicisme, hoe divers de relaties tussen de Vlaamse beweging en het katholicisme ook waren. Vanaf 1900 speelden immers zowel de politieke christendemocratie als het katholieke flamingantisme, naast de daensistische
Daensistische beweging Daensistische beweging is de verzamelnaam voor een geheel van feiten, opvattingen, organisaties, personen en strijdmiddelen die tijdens de late 19de en de vroege 20ste eeuw een onderdeel... Lees meer dissidenten en de christelijke arbeidersbeweging
Christelijke arbeidersbeweging In de christelijke arbeidersbeweging heeft steeds een uitgesproken belangstelling voor de Vlaamse kwestie bestaan. De groeiende invloed van deze beweging, in het kielzog van de democratis... Lees meer , een rol binnen de Vlaamse beweging, nu eens zij aan zij, dan weer in onderlinge verdeeldheid.
Net die sterke band tussen de Vlaamse beweging en diverse stromingen binnen het katholicisme lokte reactie uit in Wallonië, waar met de industrialisering en de proletarisering immers ook de ontkerkelijking was begonnen. Het uit liberale Franstalige kringen gegroeide wallingantisme in Brussel, Antwerpen en Gent verspreidde zich na het akkoord over de eerste taalwetten gaandeweg naar Wallonië, waar het de dominantie van het Frans verdedigde als wapen tegen het vermeend klerikale Vlaamse overwicht. (zie Waalse beweging
Waalse beweging De Waalse beweging ontstond op het einde van de 19e eeuw en heeft zijn wortels in een culturele, politieke en taalkundige dimensie. Ze was verdeeld in verschillende stromingen, waarvan de... Lees meer ). Zo raakte het Belgische politieke leven steeds meer in de greep van communautaire tegenstellingen die gaandeweg verstrengeld raakten met de klerikaal-antiklerikale breuklijn.
Maatschappelijke verruiming
Al snel zouden de talige en levensbeschouwelijke verbanden en conflicten zich in sociaaleconomische termen vertalen. Onder invloed van die sociale en democratische bewustwording – het algemeen meervoudig stemrecht werd in 1893 ingevoerd – en parallel met een grotere economische slagkracht aan het einde van de 19de eeuw kon de Vlaamse beweging haar programma en werking verruimen. In deze intellectuele vernieuwing speelden vrijzinnige intellectuelen als Julius Mac Leod
Mac Leod, Julius Julius Mac Leod (1857-1919) was hoogleraar plantkunde aan de Gentse universiteit en een Vlaamsgezinde progressieve liberaal. Hij was een belangrijke pleitbezorger van de vernederlandsing ... Lees meer en Lodewijk de Raet
De Raet, Lodewijk Lodewijk de Raet (1870-1914) was een econoom en ambtenaar die in belangrijke mate bijdroeg aan de theorievorming over de Vlaamse beweging en deze van een sociaaleconomisch denkraam voorza... Lees meer een belangrijke rol. Tegen diezelfde achtergrond schreef de Vlaamsgezinde socialistische intellectueel August Vermeylen
Vermeylen, August August Vermeylen (1872-1945) was een schrijver, literatuur- en kunsthistoricus, en socialistisch senator. In het tijdschrift Van Nu en Straks, waarvan hij de leiding had, publiceerde hij ... Lees meer in 1896 zijn befaamde essay ‘Kritiek der Vlaamsche Beweging’, waarmee hij de Vlaamse identiteit een bredere inhoud wenste te geven dan de doorgaans louter talige invulling vanuit katholieke (en liberale) hoek.
Zo formuleerde Vermeylen een scherpe kritiek op de geborneerdheid van een eng taalflamingantisme. Onomwonden stelde hij dat de aanhangers ervan het ‘zelfstandig geweten’ van elk individu miskenden. Vermeylen verbond Vlaamse identiteitsvorming uitdrukkelijk met sociale strijd. In de uitbouw van een taalbeweging naar een sociale beweging, zag hij allereerst een behoefte aan ‘zelfbewuste mensen met een zelfstandig geweten’. Aanvankelijk leek zijn visie onderdeel te zijn van een anti-Belgische beweging. In zijn ‘Kritiek der Vlaamsche Beweging’ nam Vermeylen immers de vaderlandsliefde of ‘patriotterij’ op de korrel en riep hij, geïnspireerd door het anarchisme van Max Stirner, op tot de cultivering van ieders individuele geweten. In zijn woord vooraf bij de heruitgave in 1922 nam Vermeylen echter afstand van de subversieve ideeën uit zijn jeugd. Mede in de context van de activistische
Activisme Het begrip activisme verwijst naar de fractie van flaminganten die tijdens de Eerste Wereldoorlog bereid was om politiek of anderszins samen te werken met de Duitse bezetter en financiële... Lees meer collaboratie tijdens de Eerste Wereldoorlog en de nationalistische radicalisering die daaruit voortvloeide, gaf de Brusselse intellectueel te kennen dat zijn anarchistische kritiek van weleer gericht was geweest ‘op elke staat, niet op de Belgische staat in het bijzonder.’ Hans Vandevoorde heeft erop gewezen dat Vermeylen altijd is blijven proberen om met zijn teksten ook de Franstaligen te bereiken.
Vermeylens invulling van de Vlaamse identiteit was tegelijk schatplichtig aan de invloed van Verlichting en Romantiek en kritisch ervoor: ‘Wij liggen nog te veel onder de macht van woorden. De Mensch, die van de Fransche omwenteling en de rationalisten, gaat me niet aan. Wie de Menschheid bemint, bemint maar het stelsel.’ Als volgeling van Stirner stond hij wantrouwig tegenover de universele idealen van de Verlichting, maar evenzeer tegenover een doorgeslagen romantische invulling van nationale identiteit, die het Vlaming-zijn tot iets mythisch, eeuwigs en heiligs verhief. Beide visies beschouwde hij immers als een voorbeeld van hoe ‘abstracte ideeën en entiteiten’ voorrang kregen op het individu zelf. Vermeylen schreef weliswaar over de zelfstandigheid van het ‘ras’, maar ‘ras’ verwees bij hem niet naar een biologisch gegeven, wél naar een verzameling van individuen die zich door taal en zeden verenigd voelen en ‘in gestage wording en beweging’ zijn. Overeenkomstig de romantische traditie, beklemtoonde Vermeylen dan weer ‘de natuurlijkheid en noodzakelijkheid van dat streven, dat tegemoetkomt aan het streven van heel deze tijd’. Toch is het duidelijk dat hij geen etnisch nationalisme huldigde. Zijn begrip van de natie was, in de lijn van Ernest Renan eerder civiel en daarom, aldus Vandevoorde, ‘verlichter dan het romantische, op Herder geïnspireerde natiebegrip van “de taal is heel het volk”.’
Ook MacLeod propageerde een visie op de Vlaamse beweging waarin de romantische mythes en symbolen van de beginperiode moesten wijken voor een nuchter intellectueel discours, waarin volksontwikkeling en vernederlandsing van de wetenschapsbeoefening Wetenschap Lees meer centraal werden gesteld. Lodewijk de Raet
De Raet, Lodewijk Lodewijk de Raet (1870-1914) was een econoom en ambtenaar die in belangrijke mate bijdroeg aan de theorievorming over de Vlaamse beweging en deze van een sociaaleconomisch denkraam voorza... Lees meer trad in diens voetspoor en hernam (en verscherpte) zijn pleidooi voor een Nederlandstalige universiteit, maar legde meer de klemtoon op de socio- economische
Economie Dit artikel gaat over de relatie tussen economie en Vlaamse beweging. Daarmee beoogt deze tekst geen economische geschiedenis te schetsen van wat we vandaag Vlaanderen noemen. Integendee... Lees meer ontplooiing van Vlaanderen, die hij als voorwaarde zag voor haar sociale en culturele ontwikkeling. Intellectuele vernieuwingspogingen als deze zorgden op termijn minstens indirect voor een verruiming van het Vlaamsgezinde discours over wat het betekende om Vlaming te zijn. De zelfverwerkelijking van die Vlaming werd voortaan immers steeds meer in verband gebracht met thema’s als hoger onderwijs, wetenschap en economie. Er ontwikkelde zich, kortom, een pragmatisch, modern (sociaal-)economisch vertoog dat de ontwikkeling van ‘het Vlaamse volk’ niet langer definieerde als taalidealisme en romantische trouw aan de traditie, maar dat in de eerste plaats vooruit wilde kijken.
De Belle Epoque was om nog andere redenen een overgangsperiode als het gaat over de maatschappelijke verbreding van de Vlaamse identiteitskwestie. Met de doorbraak van het socialisme vanaf de laatste decennia van de 19de eeuw kwam met name in Gent en Antwerpen een socialistische versie van een Vlaams identiteitsbesef in omloop (nadat ook de vroege Vlaamse socialisten in België omstreeks 1860 zich reeds gevoelig hadden getoond voor de Vlaamse kwestie, zie Socialistische partij
Socialistische partij De socialistische partij werd in België in 1885 opgericht als de Belgische Werkliedenpartij (BWP), veranderde in 1945 haar naam in Belgische Socialistische Partij (BSP) en viel in 1978 u... Lees meer ). Zo heeft Maarten van Ginderachter in zijn boek Het rode vaderland aangetoond dat de Gentse socialisten zich op het einde van de 19de eeuw in sterke mate met Vlaanderen identificeerden, veel meer dan in de vroegere historiografie Historiografie Lees meer werd aangenomen. Daarbij beriepen ze zich op hetzelfde historische en symbolische repertorium waarmee ook de Vlaamse beweging de idee van een Vlaamse identiteit gestalte gaf: Jacob van Artevelde
Van Artevelde, Jacob Jacob van Artevelde was een Gents volksleider (overleden in 1345) die in de jaren 1337-1345 de feitelijke macht uitoefende in Gent en in Vlaanderen. Hij verzette zich tegen de Franse invl... Lees meer en Pieter de Coninck maakten school als proletarische helden avant la lettre. Net zoals Vlaamsgezinden van katholieke en liberale signatuur droegen de Vlaamse socialisten zo bij tot de ontwikkeling van de Vlaamse ‘verbeelde gemeenschap’.
Met de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht kreeg niet alleen het socialisme, maar ook de christendemocratie, mede onder impuls van de pauselijke encycliek Rerum Novarum uit 1891, politiek de wind in de zeilen. Veel katholieke Vlaamsgezinden wierpen zich op als woordvoerders van de kleine burgerij en van de plattelandsbevolking, die komaf wilden maken met de politieke dominantie van een kapitaalkrachtig liberaal establishment. Door de ultramontaanse corporatieve gedachte te democratiseren, creëerden ze een verwevenheid tussen Vlaamsgezinde en christelijk-sociale ideeën. Daarmee konden ze de sociale basis van de Vlaamse beweging gaandeweg versterken en van haar uiteindelijk een volksbeweging maken. Tegelijk wisten de katholieken binnen de Vlaamse beweging zo te reageren op de opkomende sociaal-politieke kracht van het socialisme.
De Vlaamse christendemocratie manifesteerde zich via de oprichting van sociale organisaties ( Boerenbond
Belgische Boerenbond (BB) De Boerenbond is een beroepsorganisatie van en voor landbouwers die tot ver in de 20ste eeuw sterke banden had met de Kerk en de katholieke partij, zich van meet af sterk engageerde in de... Lees meer , Volksbond, Vlaamse Katholieke Landsbond Vlaamsche Katholieke Landsbond Lees meer ). Onder de slogan ‘taalbelang is materieel belang’ zocht ook het Vlaamse patronaat aansluiting bij de Vlaamse beweging. Het droeg bij tot de ontluikende alliantie tussen flamingantische en economische belangen. De in Vlaamsgezinde middens steeds luider klinkende oproep tot de vorming van een Vlaamse culturele, sociale én economische elite vond gehoor bij de middenklasse en de studerende jeugd. Rond 1914 telde Vlaanderen meer dan honderd Vlaamsgezinde, vooral katholieke studentenverenigingen, die de Vlaamse beweging van nieuwe krachten konden voorzien (zie Katholieke Vlaamse Studentenbeweging Katholieke Vlaamse studentenbeweging De Katholieke Vlaamse Studentenbeweging was de georganiseerde deelname van de katholieke studerende jeugd aan de Vlaamse beweging. Ze leverde daartoe met haar grote aanhang van ca. 1875 t... Lees meer ).
Radicalisering aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog
In 1907 ontstond in het parlement ruimte voor een Vlaamsgezind front dat zich boven de ideologische breuklijnen stelde. Vier jaar later, in 1911, dienden Vlaamsgezinde parlementariërs van de drie grote partijen een wetsvoorstel in met het oog op de vernederlandsing van de Gentse universiteit, met als boegbeelden de ‘Drie Kraaiende Hanen’, de katholiek Frans van Cauwelaert
Van Cauwelaert, Frans Frans van Cauwelaert (1880-1961) was een Vlaamsgezinde katholieke politicus, die een hoofdrol speelde in de vernederlandsing van het openbare leven in Vlaanderen. Van Cauwelaert lag in 19... Lees meer , de liberaal Louis Franck
Franck, Louis De inzet van Louis Franck (1868-1937) voor de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs en de Gentse universiteit bracht hem rond 1910 op het hoogtepunt van zijn Vlaams-liberale roem.... Lees meer en de socialist Camille Huysmans
Huysmans, Camille Camille Huysmans (1871-1968) was een Vlaamsgezinde socialistische politicus, die van 1933 tot 1940 burgemeester van Antwerpen was, tweemaal een ministerpositie bekleedde en een jaar lang ... Lees meer . Na hun gezamenlijke oproep op 18 december 1910 in Antwerpen voor het recht op een Nederlandstalige universiteit in Vlaanderen, verzamelden ze meer dan honderdduizend handtekeningen voor een petitie waarin ze de vernederlandsing van de Gentse rijksuniversiteit eisten. Deze frontvorming over ideologische partijgrenzen heen wees op een (politieke) radicalisering van de Vlaamse beweging. Een gedeelde Vlaamse identiteit woog daarbij voor het eerst sterker door dan conflicterende levensbeschouwelijke identiteiten.
Enkele uitzonderingen daargelaten had deze flamingantische radicalisering vooralsnog geen uitgesproken anti-Belgisch karakter. Maar het Belgische patriottisme uit de beginjaren van de Vlaamse beweging had bij nogal wat Vlaamsgezinden plaatsgemaakt voor een sluimerend ongenoegen jegens het officiële vaderland. De staatkundige legitimiteit van België werd daarom nog niet openlijk in vraag gesteld, maar de Belgische identiteit was niet langer een evidentie (terwijl de ontluikende Vlaamse dat steeds meer werd) (zie België
België Geen Vlaamse beweging zonder België. Het is ook onmogelijk om België te begrijpen zonder de geschiedenis van de Vlaamse beweging erbij te betrekken. Tussen het ontstaan van een culturele ... Lees meer ). De ontgoocheling over de uitblijvende vernederlandsing van het middelbaar
Middelbaar onderwijs De geschiedenis van het middelbaar onderwijs is nauw verweven met die van de Vlaamse beweging. Tot diep in de 20ste eeuw bleef de middelbare school een grotendeels Franstalig bastion van ... Lees meer en hoger onderwijs
Hoger onderwijs De evolutie van het Vlaamse hoger onderwijs werd gekenmerkt door een moeizame vernederlandsingspolitiek, gaande van het vroegste verschijnen van Nederlandstalig onderwijs tot de integrale... Lees meer speelde daarbij een belangrijke rol.
Reeds twee jaar later stokte de Vlaamsgezinde samenwerking tussen katholieken, liberalen en socialisten. De liberale en socialistische partijen vormden bij de verkiezingen van 1912 een kartel om de katholieke meerderheid van 1884 te breken. De katholieke partij won echter opnieuw — wat de antiklerikale en Waalsgezinde spanningen verder op scherp zette. Het taalconflict raakte zo steeds meer verweven met levensbeschouwelijke en communautaire tegenstellingen. Na 1910 raakte de communautaire polarisering in een stroomversnelling. De controverse rond de Gelijkheidswet
Gelijkheidswet De gelijkheidswet van 1898 stelde het Nederlands voor officiële publicaties gelijk aan het Frans. De wet werd vanuit de Vlaamse beweging breed ondersteund, en leidde, na de Waalse afwijzi... Lees meer (1898) markeerde de doorbraak van de Waalse beweging
Waalse beweging De Waalse beweging ontstond op het einde van de 19e eeuw en heeft zijn wortels in een culturele, politieke en taalkundige dimensie. Ze was verdeeld in verschillende stromingen, waarvan de... Lees meer . Zij beschouwde de opmars van de Vlaamse beweging als een bedreiging voor de dominantie van het Frans en voor haar eigen maatschappelijke voorrechten. De Waalse beweging ontwikkelde in dit verband een taalideologie die enerzijds de eentaligheid van Wallonië opeiste op basis van het territorialiteitsbeginsel en anderzijds de tweetaligheid van Vlaanderen op basis van het personaliteitsbeginsel. Het leidde tot een vernieuwd pro-Belgisch discours, maar ging ook gepaard met de constructie van een specifiek-Waalse identiteit, een proces dat tot op zekere hoogte de Vlaamse identiteitsvorming weerspiegelde: net zoals de Vlaamse beweging dat had gedaan, introduceerde de Waalse beweging nu een Waalse vlag en een Waalse feestdag. Net zoals de Vlaamse beweging stuitte echter ook de Waalse beweging op levensbeschouwelijke tegenstellingen. Door haar antiklerikale karakter haakte een groot deel van de Waalse katholieken af. Het taalconflict kreeg zo een bredere communautaire impact, waarbij de drie identiteitsvormende factoren – taal, het levensbeschouwelijke en het sociaaleconomische – in elkaar grepen.
In dit klimaat van groeiende radicalisering aan beide zijden schreef Jules Destrée
Destrée, Jules Jules Destrée (1863-1936) was een kopstuk van de socialistische partij en de Waalse beweging, dat onder meer bekend staat om zijn ophefmakende Lettre au Roi (1912). Lees meer in 1912 zijn bekende brief aan de koning, waarin hij met een bestuurlijke scheiding dreigde als reactie op wat hij omschreef als de klerikale, Vlaamse tirannie. Met zin voor provocatie poneerde Destrée dat er geen Belgen waren. Opmerkelijk daarbij was dat hij de tegenstelling tussen Walen en Vlamingen vanuit een romantisch perspectief een essentialistisch etnisch karakter gaf: ‘Welk een tegenstelling tussen Vlaanderen en Wallonië! De aardbodem is verschillend, de mensen die deze streken bewonen zijn anders en hun zielen zijn zo verschillend als hun landschappen. Hun werkzaamheden is voor de een de landbouw, voor de ander de nijverheid. De gevoeligheid is anders: wat de een geestdriftig maakt, laat de ander koud en wekt misschien zelfs afkeer op. (...) De Waal hoort toe aan de Latijnse beschaving en de Vlaming aan de Germaanse cultuur.’ Daarbij beschouwde Destrée het industriële karakter van Wallonië als een teken van vooruitgang en Verlichting, in contrast met het rurale karakter van Vlaanderen. Op die manier werden ‘de’ Vlaamse en ‘de’ Waalse identiteit scherper tegenover elkaar afgelijnd.
Tegelijk groeide vanuit het katholieke (Franstalige) establishment weerstand tegenover de onder Vlaamse katholieken breed gedeelde taaleisen (in het bijzonder de vernederlandsing van het vrij middelbaar onderwijs). Decennialang hadden priester-leraren in de colleges hun leerlingen gevoelig gemaakt voor hun moedertaal. Maar deze door de lagere clerus sterk gestuurde beweging zou vlug in aanvaring komen met de kerkelijke overheid. Het aanhoudende conflict leidde tot verdeeldheid en onvrede binnen de katholieke Vlaamse beweging. De Bisschoppelijke Onderrichtingen (1906) van aartsbisschop Mercier
Mercier, Désiré Désiré Mercier (1851-1926) was van 1906 tot 1926 de kardinaal-aartsbisschop van het aartsbisdom Mechelen. Hij was een vurig propagandist van het Belgisch patriottisme en leefde tijdens ... Lees meer waren voor veel katholieke flaminganten de spreekwoordelijke druppel. De overtuiging groeide dat zij inzake de Vlaamse kwestie van hun bisschoppen geen of onvoldoende steun mochten verwachten (zie Kerk Kerk De verhouding tussen Kerk en Vlaamse beweging vertoont historisch een tweevoudig beeld. Enerzijds waren de godsdienstige en de Vlaamsgezinde overtuiging innig verstrengeld en vormde de cl... Lees meer ). Daarbij kwam dat de katholieke regering (sinds 1884), die vooral in Vlaanderen een electoraal overwicht had, te maken kreeg met een groeiende oppositie in Wallonië, ook in Waalse katholieke milieus. In dat klimaat begon zij zich vanaf 1886 voorzichtiger en gereserveerder op te stellen tegenover de eisen van de Vlaamse beweging, al werd de taalwetgeving tot de Eerste Wereldoorlog
Eerste Wereldoorlog De Vlaamse beweging is fundamenteel getekend door de Eerste Wereldoorlog. De oorlog maakte een verregaande democratisering onafwendbaar, met wezenlijke gevolgen voor het politieke draagv... Lees meer stapsgewijs verder uitgebouwd. Al deze onderhuidse spanningen vormden een voedingsbodem voor een politieke en ideologische radicalisering die na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in een stroomversnelling trad.
Identiteitspolitiek in Vlaanderen tussen 1914 en 1960
De daadwerkelijke impact van de Duitse Flamenpolitik
Flamenpolitik Met het begrip ‘Flamenpolitik’ wordt verwezen naar de politiek die de Duitse bezetter voerde ten aanzien van de Vlaamse beweging tijdens de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Sommige aute... Lees meer op het Vlaams-nationalisme en zijn verhouding tot België blijft een discussiepunt onder historici. In een baanbrekende studie betoogde Wils dat de Flamenpolitik de anti-Belgische stroming binnen de Vlaamse beweging heeft geïntroduceerd. Recenter onderzoek wees er echter op dat decennia vóór de oorlog niet alleen al sprake was van een in toenemende mate zelfstandig Vlaams natie- en identiteitsbesef, maar ook van een latent antibelgicisme. Vooral de te trage invoering van taalwetten of zelfs het uitblijven ervan zorgde in de laatste maanden vóór 1914 bij sommige flaminganten voor een duidelijke radicalisering.
Geconfronteerd met de Duitse bezetter, die handig inspeelde op de Vlaams(gezind)e gevoelens van ongeduld en frustratie over het tempo van de vooroorlogse vernederlandsing langs parlementaire weg, kwam de Vlaamse beweging tijdens de Eerste Wereldoorlog hoe dan ook voor het eerst voor de keuze te staan: de Vlaamse natie en identiteit verder uitbouwen binnen België ofwel kiezen voor een Vlaams-nationalistische identiteit die zich van België loskoppelde. De keuze voor de tweede optie impliceerde een overgang van cultuurnationalisme naar politiek nationalisme.
Het schisma tussen minimalisten en maximalisten
Inhoudelijk steunde de Flamenpolitik van de Duitse bezetter op Vlaamsgezinde eisen die zij beloofden te implementeren. Het belangrijkste wervingsmiddel was de vernederlandsing van de Gentse universiteit
Hoger onderwijs in Gent Met de vernederlandsing in 1930 als hoogtepunt is de Gentse universiteit een belangrijk strijdpunt geweest in de Vlaamse beweging. Van het Latijn uit 1817 tot het Engels van vandaag: het ... Lees meer . Moritz Von Bissing
Von Bissing, Moritz Moritz von Bissing (1844-1917) was van november 1914 tot aan zijn dood in april 1917 gouverneur-generaal van het bezette België. Lees meer besloot op 2 december 1915 dat ze in het najaar van 1916 zou heropenen en dat het Nederlands de onderwijstaal zou zijn. Dit besluit was een bepalende gebeurtenis voor de breuk tussen enerzijds de activisten
Activisme Het begrip activisme verwijst naar de fractie van flaminganten die tijdens de Eerste Wereldoorlog bereid was om politiek of anderszins samen te werken met de Duitse bezetter en financiële... Lees meer , die samenwerkten met de bezetter en een eigen staatkundige structuur voor Vlaanderen nastreefden, en anderzijds de aan België loyale flaminganten (‘ passivisten
Passivisme Het begrip ‘passivisme’ verwijst naar de Vlaamsgezinden die tijdens de Eerste Wereldoorlog verdere pogingen om de Vlaamse eisen te realiseren tot na het einde van het politiek-militair co... Lees meer ’ in de terminologie van de eersten). Bij de bevolking kende het activisme weinig draagvlak – in 1918 werd de activistische aanhang geschat op ongeveer 15.000 mensen – en ook binnen de Vlaamse beweging bleek slechts een minderheid ontvankelijk voor de lokroep van de Flamenpolitik. Mede door de betrokkenheid van een handvol (onderling overigens erg verschillende) charismatische kopstukken zoals August Borms
Borms, August August Borms (1878-1946) speelde een prominente rol in de activistische collaboratie tijdens de Eerste Wereldoorlog en groeide nadien uit tot hét symbool van de amnestiebeweging, die een ... Lees meer , René de Clercq
De Clercq, René René de Clercq (1877-1932) was een Vlaamsgezinde en sociaal georiënteerde dichter, die tijdens de Eerste Wereldoorlog een sleutelrol speelde bij het ontstaan en de radicalisering van het ... Lees meer en Lodewijk Dosfel
Dosfel, Lodewijk Lodewijk Dosfel (1881–1925) was een jurist die in de Vlaamse beweging bekendheid verwierf door zijn engagement in de Vlaamse katholieke studentenbeweging en in de campagne voor Vlaamse ta... Lees meer zou het activisme in de jaren na de oorlog echter in toenemende mate aanvaard worden door een veel bredere groep (radicaliserende) flaminganten.
Intussen had zich in het Belgische leger aan de IJzer de Frontbeweging
Frontbeweging Aan het IJzerfront manifesteerde zich tijdens de Eerste Wereldoorlog flamingantisch verzet tegen de taaltoestanden in het leger. Naarmate het zich meer en meer organiseerde en groeide, vo... Lees meer ontwikkeld. De kern ervan bestond uit Vlaamsgezinde studenten die een hervorming van het overwegend Franstalige officierenkader nastreefden. In de zomer van 1917 werd de Frontbeweging, geïnspireerd door de achter het IJzerfront in Alveringem woonachtige priester Cyriel Verschaeve
Verschaeve, Cyriel Cyriel Verschaeve (1874-1949) was een West-Vlaamse priester, literair auteur, kunstbeschouwer en publicist, die bekend werd als icoon van de Frontbeweging en het opkomende Vlaams-national... Lees meer , als een clandestiene beweging opgestart onder leiding van Adiel Debeuckelaere
Debeuckelaere, Adiel Adiel Debeuckelaere (1888-1979) was een Vlaams-nationalistisch politicus. Hij zou zijn imago vooral opbouwen dankzij zijn leidende rol in de Frontbeweging. Lees meer , Hendrik Borginon
Borginon, Hendrik Hendrik Borginon (1890-1985) was lid van de leiding van de Frontbeweging en Vlaams-nationalistisch politicus in de Frontpartij en het Vlaamsch Nationaal Verbond. Tijdens de bezetting fung... Lees meer en Filip de Pillecyn
De Pillecyn, Filip Filip de Pillecyn (1891-1962) was schrijver en journalist voor onder meer De Standaard en het satirische, pluralistische blad Pallieter. Hij speelde een leidende rol in de Frontbeweging e... Lees meer . Op 11 juli 1917 verscheen hun ‘ Open Brief
Open Brieven van de Frontbeweging De Open Brieven van de Frontbeweging waren gestencilde of gedrukte clandestiene manifesten die tussen 11 juli 1917 en 11 juli 1918 aan het front werden verspreid. Daarbij mogen ook een aa... Lees meer aan den Koning der Belgen’, waarin zij zelfbestuur en een ‘Vlaamsch leger naast een Waalsch’ opeisten. De nationalistische radicalisering van de Frontbeweging voltrok zich daarbij deels in het verlengde van het activisme.
In de loop van 1918 kwam het tot een breuk tussen de leiding van de Frontbeweging en de ‘passivistische’ leider Frans Van Cauwelaert
Van Cauwelaert, Frans Frans van Cauwelaert (1880-1961) was een Vlaamsgezinde katholieke politicus, die een hoofdrol speelde in de vernederlandsing van het openbare leven in Vlaanderen. Van Cauwelaert lag in 19... Lees meer , die het programma van de Frontbeweging niet wilde overnemen en een eigen zogeheten ‘ minimumprogramma
Minimumprogramma Het Minimumprogramma was de benaming voor het eisenpakket dat de Belgisch-loyale flaminganten, in het bijzonder inzake taalwetgeving, in de periode tussen de beide wereldoorlogen nastreef... Lees meer ’ naar voren schoof. Tijdens het slotoffensief van het Belgisch leger raakte de organisatie van de Frontbeweging uiteindelijk versnipperd. Ook haar partijpolitieke erfgenaam Het Vlaamsche Front
Het Vlaamsche Front (Frontpartij) Het Vlaamsche Front was een Vlaams-nationalistische partij, die werd opgericht in 1919 en ook bekend stond onder de couranter gebruikte officieuze benaming Frontpartij. Gesticht als een ... Lees meer , tevens de eerste Vlaams-nationalistische partij
Vlaams-nationalistische partijen Het partijpolitieke Vlaams-nationalisme brak door in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en streefde een verregaande of volledige staatkundige verzelfstandiging van Vlaanderen na. De b... Lees meer , slaagde er na de oorlog door interne verdeeldheid niet in om te wegen op de Belgische politiek. Toch heeft de Frontbeweging een onmiskenbare invloed uitgeoefend op de invulling van wat men later als een Vlaams-nationale identiteit tegenover een Belgische identiteit zal omschrijven. De herinnering aan en de verhalen over het verzet van de Frontbeweging binnen het Belgisch leger vervulden een prominente rol in de ‘funderingsmythe’ – de term komt van historicus Bruno de Wever – van het ontluikende Vlaams-nationalisme. Een centrale plaats was daarbij voorbehouden voor de cultus van de Vlaams(gezind)e doden, die vorm kreeg via initiatieven als Heldenhulde
Heldenhulde Het comité Heldenhulde wilde tijdens de Eerste Wereldoorlog de gesneuvelde Vlaamse frontsoldaten eren door het plaatsen van stenen grafzerken met een Keltisch kruis, het Vlaamsgezinde ops... Lees meer , de IJzerbedevaarten
IJzerbedevaarten De IJzerbedevaart is een jaarlijkse herdenking van de Vlaamse gesneuvelden tijdens de Eerste Wereldoorlog, die ontstond omstreeks 1920. Dit voor de Vlaamse beweging erg symbolische gebeur... Lees meer en het Verbond der Vlaamsche Oud-Strijders
Verbond VOS (VOS) Het Verbond der Vlaamse Oud-Strijders (VOS), opgericht in 1919, was een flamingantische vereniging voor oud-strijders van de Eerste Wereldoorlog, die in de loop van het interbellum tot ee... Lees meer (VOS). Deze cultus beriep zich voor een belangrijk deel op het traditionele beeldenarsenaal van de (romantische) Vlaamse beweging. Zo sierde de blauwvoet Blauwvoet De Blauwvoet werd sinds 1875 een van de meest vertrouwde symbolen van de Katholieke Vlaamse Studentenbeweging en de Vlaamse beweging. Het was ontleend aan Concience’s De Kerels van Vlaan... Lees meer het door Joe English
English, Joe Joe English (1882-1918) was een Brugse kunstschilder, die zijn grote faam binnen de Vlaamse beweging vooral ontleende aan zijn tekenwerk als frontkunstenaar. Lees meer ontworpen Heldenhuldezerkje en ook het herdenken van voorvechters van de Vlaamse zaak was een beproefde praktijk binnen het 19de-eeuwse flamingantisme. Nieuw was echter de scherpe anti-Belgische betekenis waarmee deze symboliek en rituelen opgeladen werden.
Ook het activisme speelde een cruciale rol in de ontwikkeling en uitbouw van een aan België tegengestelde Vlaams-nationale identiteit. Theoretische beschouwingen over Vlaamse identiteit heeft deze eerste flamingantische collaboratie nauwelijks opgeleverd, maar vooral de sterk uitvergrote beeldvorming rond de bestraffing ervan heeft onderhuids wel het anti-Belgische sentiment versterkt en zo op langere termijn verstrekkende gevolgen gehad voor de nationale identiteitsvorming binnen de Vlaamse beweging. De processen van charismatische figuren zoals Borms en Dosfel in 1919 vervulden daarbij een scharnierfunctie, evenals het feit dat de geestelijke leider van de Frontbeweging Cyriel Verschaeve zich met al zijn morele gewicht voor hen garant stelde. In korte tijd transformeerde het activisme in de Vlaamsgezinde communis opinio van landsverraad tot een daad van zuiver idealisme voor de Vlaamse zaak (zie Repressie
Repressie na de Eerste Wereldoorlog De ‘repressie’ na de Eerste Wereldoorlog was de bestraffing van degenen die tussen 1914 en 1918 met de Duitse bezetter collaboreerden en misdrijven tegen de veiligheid van de (Belgische)... Lees meer en Amnestie na de Eerste Wereldoorlog
Amnestie na de Eerste Wereldoorlog Na de Eerste Wereldoorlog ontstond als reactie op de bestraffing van de activistische collaboratie een Vlaamsgezinde amnestiebeweging, waarin Vlaams-nationalisten sterk vertegenwoordigd w... Lees meer ).
De Vlaamse beweging raakte zo verdeeld tussen een ‘maximalistische’ vleugel – het opkomende Vlaams-nationalisme dat naar de federalisering, splitsing of vernietiging van België streefde – en een minimalistische Minimalisten De zogenaamd minimalistische flaminganten probeerden het eisenprogramma voor de Vlaamse beweging, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog onder de leiding van Frans van Cauwelaert was tot stan... Lees meer vleugel, die voor het zogenoemde ‘ minimumprogramma
Minimumprogramma Het Minimumprogramma was de benaming voor het eisenpakket dat de Belgisch-loyale flaminganten, in het bijzonder inzake taalwetgeving, in de periode tussen de beide wereldoorlogen nastreef... Lees meer ’ ijverde: de volledige vernederlandsing van het maatschappelijke leven in Vlaanderen via taalwetten. Tot een eind in de jaren 1930 bleef laatstgenoemde strekking dominant. Voornamelijk onder impuls van de katholiek Van Cauwelaert, maar met belangrijke steun van de Vlaamsgezinde socialist Camille Huysmans streefde deze tak van de Vlaamse beweging naar culturele autonomie Culturele autonomie Lees meer via de uitbouw van taalwetgeving binnen de bestaande democratische staatsstructuur. Minstens even belangrijk als de opdeling van de Vlaamse beweging in een Belgisch-loyale en een anti-Belgische vleugel voor de evolutie van een Vlaamse identiteit, was dan ook de (voorlopig onderhuidse) tegenstelling tussen een democratische en een autoritaire strekking binnen het flamingantisme. Die tegenstelling zou pas tijdens het interbellum een meer expliciete ideologische vertaling krijgen.
Het interbellum
Aan de bloei van het Vlaamsgezinde liberalisme van voor de Eerste Wereldoorlog was na de Eerste Wereldoorlog grotendeels een einde gekomen. De erfenis van het activisme had in de naoorlogse jaren geleid tot een verzwakking van de Vlaamsgezinde positie in de liberale partij
Liberale partij De verhouding tussen de liberale partij en het partijpolitieke liberalisme in België enerzijds, en de Vlaamse beweging anderzijds levert een gevarieerd en ingewikkeld beeld op dat evoluee... Lees meer , waarbij de Franstaligen opnieuw het voortouw namen. Door interne verdeeldheid over taalkwesties was de Liberale partij vervreemd van het Vlaamse kiespubliek.
Terwijl de vrijzinnig-liberale variant van de Vlaams-Belgische identiteit gaandeweg gemarginaliseerd werd, groeiden binnen het katholiek-Vlaamse identitaire discours twee (elkaar deels overlappende) spanningsvelden. Het eerste spanningsveld was verbonden met de tegenstelling tussen een dynamische en een essentialistische identiteitsopvatting. Enerzijds was er de strekking-Van Cauwelaert die een dynamische visie over de Vlaamse identiteit bleef huldigen en ijverde voor de democratisering van het katholieke Vlaanderen, vanuit het besef dat maatschappelijke verandering na de Eerste Wereldoorlog onvermijdelijk was geworden. Daartegenover stond een strekking die een essentialistische visie op de Vlaamse identiteit promootte en zo de voedingsbodem vormde voor een radicaal-rechtse stroming binnen de Vlaamse beweging, die medio jaren 1930 in fascistisch vaarwater zou belanden. Een spilfiguur in dit verband was de Vlaams-nationalistische priester Robrecht de Smet De Smet, Robrecht Robrecht de Smet (1875-1937) was een West-Vlaamse priester en kapelaan. Hij evolueerde in radicale anti-Belgische en autoritaire richting en was betrokken bij het Verbond van Vlaamsche Na... Lees meer , die er in de marge van de Frontpartij alles aan deed om een pluralistische alliantie tussen katholieke en vrijzinnige Vlaamsgezinden te ondermijnen, doordrongen als hij was van een antimodern katholicisme. Vanuit diezelfde overtuiging ijverde De Smet onvermoeibaar voor het einde van België (in zijn ogen een perfide uitwas van de moderne kapitalistische tijd) via initiatieven als het Verbond van Vlaamsche Nationalisten de Blauwvoet Verbond van Vlaamsche Nationalisten De Blauwvoet Het Verbond van Vlaamsche Nationalisten De Blauwvoet (1921-1922) ontstond in Nederland en had een antidemocratische inslag. Het initiatief stierf al snel een stille dood. Lees meer en het weekblad Vlaanderen
Vlaanderen (1922-1933) Vlaanderen was een radicaal Vlaams-nationalistisch weekblad dat verscheen tussen 1922 en 1933. Het stond voor het grootste deel onder leiding van Robrecht de Smet en Josué de Decker. Het ... Lees meer .
Min of meer parallel aan deze tegenstelling tussen een dynamische en essentialistische kijk op de Vlaamse identiteit was er de groeiende spanning tussen de minimalisten en maximalisten. Beide strekkingen zijn in die zin het product van de naoorlogse radicalisering van de Vlaamse beweging, dat zij de Vlaamse natie- en identiteitsvorming elk op een eigen manier loskoppelden van het Belgische project. Terwijl de maximalisten een harde breuk met of zelfs de vernietiging van België als een noodzakelijke voorwaarde zagen voor de Vlaamse emancipatie, bepleitten de minimalisten, deels strategisch en deels uit overtuiging, de uitbouw van een Vlaamse natie binnen het Belgische kader. Daarom verkozen zij de parlementaire weg via de uitbouw van taalwetgeving boven de revolutionaire aanpak van de maximalisten. Omdat de minimalisten zich ervan bewust waren dat het gros van de Vlaamse bevolking wel de vernederlandsing van het openbare leven, maar geen scheiding van België wenste, probeerden ze voor dat eerste een parlementair draagvlak te creëren en zo de maximalisten de wind uit de zeilen te nemen.
In de onmiddellijke naoorlogse jaren was de grens tussen minimalisten en maximalisten nog flinterdun. Pogingen om de tegenstellingen binnen de Vlaamse beweging te bezweren, liepen echter al snel stuk op de houding van francofone elites die de vernederlandsing van het openbare leven in Vlaanderen als onvaderlands brandmerkten en zo de tegenstelling Vlaanderen - België alleen maar aanscherpten. De botsing tussen Vlaanderen en België die de Flamenpolitik in het flamingantische milieu zo niet veroorzaakt dan toch versterkt had, bleef zo doorwerken. Geleidelijk kregen anti-Belgische tendensen de bovenhand in het Verbond der Vlaamsche Oud-Strijders (VOS). Vlaamsgezinden die Vlaanderen via parlementaire weg wensten te vernederlandsen werden door de nationalisten als verraders bestempeld. Andreas Stynen heeft in Een geheugen in fragmenten. Heilige plaatsen van de Vlaamse beweging laten zien hoe deze strijd tussen minimalisten en maximalisten niet alleen een politiek-ideologische clash, maar óók een strijd was om het symbolische repertoire waarmee de Vlaamse identiteit werd vormgegeven: ze woedde immers hevig rond een aantal ‘heilige plaatsen’ van de Vlaamse beweging (zoals de Groeningekouter in Kortrijk, het Gentse Campo Santo
Campo Santo Campo Santo, de begraafplaats van Sint-Amandsberg, geniet faam als ‘de merkwaardigste van Vlaanderen’, als gevolg van de vele Vlaamsgezinde boegbeelden die er, te beginnen met Jan-Frans W... Lees meer of het Antwerpse Schoonselhof
Schoonselhof Het Schoonselhof is een begraafplaats in de stad Antwerpen. Als laatste rustplaats van tal van culturele en politieke boegbeelden van de Vlaamse beweging speelt de begraafplaats een bijzo... Lees meer ), die beide strekkingen probeerden te instrumentaliseren voor hun eigen agenda.
Door de groeiende ontevredenheid over de stagnerende taalwetgeving in de jaren 1920, dreigde (een deel van) de Vlaamse beweging steeds meer een antidemocratisch karakter te krijgen. Parallel daarmee ontkiemde in de middens van maximalisten een groeiend verlangen naar Groot-Nederland
Groot-Nederland Groot-Nederland is een politiek en cultureel begrip dat respectievelijk staat voor een staatkundige vereniging van België of Vlaanderen met Nederland en de culturele en taalkundige samen... Lees meer , eerst als een Nederlandse cultuurgemeenschap, maar gaandeweg steeds meer als een politieke eenheid van Vlaanderen en Nederland. Toch werden de groeikansen van het Vlaams-nationalisme aanvankelijk niet in electorale winst vertaald. Die beperkte ruimte voor een democratisch Vlaams-nationalisme maakte de maximalistische stroming ook ontvankelijker voor autoritaire tendensen.
Intussen was er een alliantie gegroeid tussen de Vlaamse socialisten en de Vlaamse katholieken, die de realisering van de taalwetten mogelijk zou maken. In november 1929 was er binnen de socialistische partij een ‘ Compromis des socialistes belges Compromis van de Belgische Socialisten Het ‘Compromis van de Belgische socialisten’ (herfst 1929) legde de houding van de Belgische Werkliedenpartij vast ten aanzien van de taalkwestie. Nadat de socialisten met het bekendere, ... Lees meer ’ gesloten. Omdat de Waalse socialisten vreesden voor de invoering van een algemene tweetaligheid, hadden zij zich op Wallonië en Brussel geconcentreerd. Terwijl zij de gevraagde ééntaligheid van Wallonië binnenhaalden, verkregen hun Vlaamse tegenhangers de nagestreefde culturele autonomie: Nederlandstalig onderwijs van hoog tot laag, te beginnen met een vernederlandste Gentse universiteit. Indien aan die voorwaarden werd voldaan, wilde de socialistische partij, vanuit de oppositie en tegen de liberale partij, de overgang naar het territorialiteitsbeginsel steunen. Deze stellingname van de Vlaamse socialisten viel, zoals Harry van Velthoven heeft aangetoond, niet los te zien van de hierboven al gesignaleerde identificatie met Vlaanderen binnen de partijkaders en onder de militanten (zie Socialistische partij
Socialistische partij De socialistische partij werd in België in 1885 opgericht als de Belgische Werkliedenpartij (BWP), veranderde in 1945 haar naam in Belgische Socialistische Partij (BSP) en viel in 1978 u... Lees meer ).
Het tactische verbond tussen Vlaamse katholieken en socialisten leidde tijdens de regeringslegislatuur 1929-1932 tot een belangrijke politieke doorbraak rond de taalkwestie. In grote lijnen vormde het tijdens de Eerste Wereldoorlog door Van Cauwelaert geformuleerde ‘minimumprogramma’ de blauwdruk voor een reeks taalwetten die aan de basis lagen van de vernederlandsing van het openbare leven in Vlaanderen. Eerst was er de vernederlandsing van de Gentse universiteit (1930), daarna kwamen de wetten op de eentaligheid van Vlaanderen in onderwijs Onderwijs Lees meer - en bestuurszaken
Bestuur Het taalgebruik in het bestuur is een centraal aspect van de Belgische taalkwestie. Het omvat het proces van het afdwingen van taalrechten voor Vlamingen evenals de bestuurstaalwetgeving ... Lees meer (1932), vervolgens in rechtszaken Gerecht Lees meer (1935). De Vlaamse beweging had als taalbeweging aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog dan ook veel verwezenlijkt. Ondanks interne meningsverschillen over de toekomstige politieke structuur, was ze erin geslaagd de wettelijke erkenning van het Nederlands en de vernederlandsing van Vlaanderen te realiseren.
De uitbouw van de taalwetgeving en de vernederlandsing van het publieke leven in Vlaanderen kwamen echter te laat om een verdere radicalisering van het Vlaams-nationalisme te voorkomen. Begin jaren 1930 werden heel wat Vlaams-nationalisten aangetrokken door de autoritaire denkbeelden van het fascisme en het nationaalsocialisme. Het Vlaamsch Nationaal Verbond
Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) Het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) (1933-1945) was een rechts-radicale Vlaams-nationalistische partij die tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde met de Duitse nationaalsocialistis... Lees meer (VNV) groeide gaandeweg uit tot een fascistisch geïnspireerde partij, waardoor een aantal katholieke flaminganten en vooral vertegenwoordigers van de christelijke arbeidersbeweging
Christelijke arbeidersbeweging In de christelijke arbeidersbeweging heeft steeds een uitgesproken belangstelling voor de Vlaamse kwestie bestaan. De groeiende invloed van deze beweging, in het kielzog van de democratis... Lees meer tussen hamer en aambeeld terecht kwamen. Een aantal onder hen zocht via een poging tot concentratie van alle rechtse politieke krachten in Vlaanderen toenadering tot het VNV (zie Vlaamsche Concentratie
Vlaamsche Concentratie Vlaamsche Concentratie (1935-±1940) was de naam voor de idee en de beweging die streefde naar de hergroepering van alle katholieke Vlamingen. Lees meer ). De toenemende ideologische polarisatie tussen links en rechts, die na de Spaanse Spanje De 19de-eeuwse Vlaamse beweging cultiveerde een overwegend negatief beeld van Spanje als vreemde overheerser tijdens de 16de eeuw. In de loop van de 20ste eeuw ontstond daarnaast een acti... Lees meer Burgeroorlog (1936-1939) in heel Europa zichtbaar werd, stimuleerde die toenadering. Toch waren ook veel katholieken gekant tegen de in hun ogen veel te rechtse en autonomistische koers van het VNV. In de laatste jaren vóór de Tweede Wereldoorlog waren de Vlaamsgezinden daardoor niet alleen verdeeld over de politieke structuur van België, de onenigheid was minstens even groot op het levensbeschouwelijk-ideologische terrein.
Aan de basis van dit conflict lag dus onder meer een verschillende invulling van de Vlaamse identiteit. Niet alleen was er onenigheid over de vraag of de Vlaamse identiteit al dan niet een plaats kon vinden binnen de Belgische politieke structuur, in wezen stoelde die onenigheid op het dieper liggende onderscheid tussen een dynamische en essentialistische invulling ervan. Tijdens het interbellum had, zeker in katholieke Vlaams-nationalistische middens, de oorspronkelijk 19de-eeuwse idee aan kracht gewonnen dat er een onoverbrugbare kloof bestond ‘tussen een door God geschapen Vlaams volk en een onnatuurlijke Belgische staat’. Door die tegenstelling te accentueren werd de lijn tussen een romantische visie over de ‘ziel van een volk’ en een essentialistische opvatting van een volk als een etnische eenheid geleidelijk flinterdun. Geradicaliseerde nationalisten zoals Cyriel Verschaeve dreven Gezelles opvatting over de Vlaamse identiteit, die tegelijk romantisch en essentialistisch was, tot het uiterste door haar te voorzien van een etnisch karakter, op basis waarvan zij het bestaan van het ‘onnatuurlijke’ België nadrukkelijk afwezen én geweld tegenover ‘vreemden’, die niet tot de Groot-Nederlandse/Germaanse stam behoorden, als een legitieme daad propageerden. Door haar alsmaar sterkere katholieke oriëntering hield de (geradicaliseerde) Vlaamse beweging zich weliswaar verre van het wetenschappelijke racisme, dat slechts door relatief geïsoleerde auteurs als Gustaaf Schamelhout
Schamelhout, Gustaaf Gustaaf Schamelhout (1869-1944) was een arts die zich ook cultureel engageerde. Vooral na de Eerste Wereldoorlog ontpopte hij zich tot een expert in de antropologie en rassenkunde. Die in... Lees meer en Jef de Langhe
De Langhe, Jef Mijningenieur Jozef (Jef) de Langhe (1907-1998) ontwikkelde zich tijdens het interbellum tot een ideoloog van het antisemitisme, het biologisch racisme en het nationaalsocialisme in Vlaan... Lees meer werd gepromoot. Vlaams-nationalistische katholieken wezen de in hun ogen al te materialistische ‘rassenkunde’ in de regel af, zij het niet eenduidig. Zoals Marnix Beyen heeft aangetoond, stonden hun ideeën over de Vlaamse natie en identiteit door hun sterk essentialistische inslag in de praktijk niet zo ver af van datzelfde gewantrouwde wetenschappelijke racisme (zie Racisme Racisme Lees meer ). Deze radicalisering in essentialistisch-nationalistische zin – de verdediging van de eigen ‘zuivere’ Vlaamse identiteit als legitimering voor enerzijds een anti-Belgisch complotdenken en anderzijds de discriminatie en stigmatisering van de etnisch-culturele ander – zou zich nadrukkelijker doorzetten in de collaboratie met Nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Collaboratie, repressie en de identiteitsvorming van de Vlaamse beweging
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was een deel van de Vlaamse beweging overwegend om flamingantische motieven in de activistische collaboratie gestapt; in de Tweede Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog De Tweede Wereldoorlog werd in Vlaanderen getekend door de onvoorwaardelijke collaboratie van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). De samenwerking met de bezetter en de bestraffing erva... Lees meer was de ideologische factor meer doorslaggevend, met name de bereidheid om het nationaalsocialistisch gedachtegoed te aanvaarden of ten minste er in verregaande mate aan toe te geven en met de bezetter samen te werken. In Vlaanderen was het VNV de belangrijkste collaborerende organisatie, naast de concurrerende, Groot-Germaanse Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap
Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) De Duitsch-Vlaamsche Arbeidersgemeenschap (DeVlag) (1935-1945) was vóór de Tweede Wereldoorlog een organisatie van Vlaamse en Duitse studenten. Tijdens de oorlog ontpopte de DeVlag zich ... Lees meer (DeVlag). Staf de Clercq
De Clercq, Staf Staf de Clercq (1884-1942) was een Vlaams-nationalistische politicus, die zijn politieke carrière begon als kamerlid voor de Frontpartij. Hij staat vooral bekend als stichter en eerste l... Lees meer , de eerste leider van het in 1933 opgerichte VNV, leidde zijn partij in de collaboratie, waardoor hij zowel het anti-Duitse deel van de bevolking van zich vervreemdde als gematigde medestanders die uit waren op een ‘modus vivendi’ met Belgische Leopoldistische kringen..
De in 1935 opgerichte DeVlag functioneerde voor de Tweede Wereldoorlog vooral als een culturele vereniging. Tijdens de bezetting beperkte zij zich echter niet langer tot culturele activiteiten: ze koos de zijde van de SS, wat tot een hoog oplopende concurrentiestrijd met het VNV leidde. Onder leiding van Hendrik Elias
Elias, Hendrik Hendrik Elias (1902-1973) was een historicus en Vlaams-nationalistisch politicus die als leider van het Vlaamsch Nationaal Verbond collaboreerde met de Duitse bezetter tijdens de Tweede W... Lees meer escaleerde dit in een openlijke confrontatie. De nieuwe VNV-leider eiste de controle over de DeVlag-activiteiten door ze opnieuw in te snoeren tot het culturele terrein, wat echter door Himmler werd geweigerd. In 1943 nam Elias afstand van de SS, en bijgevolg eveneens van de DeVlag. Na de oorlog zouden vele VNV’ers verwijzen naar die breuk met de DeVlag in een poging hun participatie in de collaboratie te minimaliseren.
Ondanks hun politieke antagonisme promootten beide strekkingen een essentialistische, nationaalsocialistische variant van de Vlaamse identiteit. Als representanten van een radicaal etnisch-georiënteerde Vlaamse beweging die het fascisme omarmde en het Germanendom verheerlijkte, gooiden zij niet alleen olie op het anti-Belgische vuur, maar namen zij ook de voornaamste politieke vijandbeelden van het Duitse nationaalsocialisme over: de bolsjewist, de Jood, de anglofiel … (zie Antisemitisme
Antisemitisme Lees meer ).
De deelname van een deel van het Vlaams-nationalisme aan de collaboratie drukte na 1945 zwaar op de Vlaamse beweging — heel wat zwaarder dan het activistische verleden na 1914. In Vlaamsgezinde kringen ontstond tegelijk een dominante beeldvorming over de bestraffing van de collaboratie als een Belgische of francofone afrekening met de Vlaamse beweging, de zogenaamde repressie Repressie Lees meer . Na de Koningskwestie
Koningskwestie Constitutioneel, politiek en maatschappelijk vraagstuk rond de persoon en de houding van koning Leopold III tijdens de Tweede Wereldoorlog. Lees meer en de politieke oppositiekuur onder een liberaal-socialistische regering tussen 1954 en 1958, inclusief een felle (tweede) Schoolstrijd tussen het officiële en het katholieke onderwijsnet, bleef een groot deel van de Vlaams-katholieke achterban het beeld van een overdreven en eenzijdige vervolging van de collaborateurs cultiveren.
De centrale notie daarin was slachtofferschap. Zoals Antoon Vrints heeft opgemerkt (zie Eerste Wereldoorlog
Eerste Wereldoorlog De Vlaamse beweging is fundamenteel getekend door de Eerste Wereldoorlog. De oorlog maakte een verregaande democratisering onafwendbaar, met wezenlijke gevolgen voor het politieke draagv... Lees meer ), bouwde deze beeldvorming voort op de Vlaams-nationalistische propaganda van tijdens en na de Eerste Wereldoorlog, waarin de Vlaamse soldaten aan de IJzer de dood waren ingestuurd doordat ze de Franstalige bevelen niet verstonden. Hun lijden werd voorgesteld als een offer voor Vlaanderen. Deze diep verankerde discursieve traditie inzake het offer en het slachtofferschap vormde de blauwdruk voor de beeldvorming over collaboratie
Collaboratie Collaboratie verwijst naar de samenwerking met de bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog, in casu van het Vlaams-nationalisme en een deel van de Vlaamse beweging. Lees meer en repressie Repressie Lees meer die na de Tweede Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog De Tweede Wereldoorlog werd in Vlaanderen getekend door de onvoorwaardelijke collaboratie van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). De samenwerking met de bezetter en de bestraffing erva... Lees meer op gang kwam. Door de wantoestanden tijdens de repressie uit te vergroten en de eigen verantwoordelijkheid inzake de collaboratie te minimaliseren, slaagden Vlaamsgezinde collaborateurs erin zichzelf als slachtoffers in plaats van daders te framen. Illustratief voor dit proces was de vergoelijking van de oostfrontstrijders
Oostfronters Het begrip oostfronters duidt in de context van de geschiedenis van de Vlaamse beweging op Vlamingen die als vrijwilliger aan de zijde van Duitsland vochten tegen het Sovjetrussische Rod... Lees meer .
Deze beeldvorming ging gepaard met een stereotyperende voorstelling van zaken, waarin Vlaanderen eenzijdig met de collaboratie en Wallonië eenzijdig met het verzet
Verzet Het georganiseerde verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Vlaamse provincies was doorgaans altijd Belgisch verzet: zowel op het vlak van de ideologische oriëntatie, de motieven en he... Lees meer werd geassocieerd. De vraag naar amnestie Amnestie Lees meer werd dan ook vooral in Vlaanderen gesteld, ook al dienden de dossiers errond op het Belgisch-nationaal niveau te worden behandeld. Net zoals het rurale zelfbeeld in de 19de eeuw een Vlaams-Belgische identiteit had ondermijnd, ondergroef nu ook de beeldvorming over de Tweede Wereldoorlog en de nasleep ervan (collaboratie en repressie) de mogelijkheid van een Belgisch-nationaal verhaal, ook al omdat de Belgische staat wat de collectieve verwerking en herdenking van de oorlog betrof heel wat kansen had laten liggen (zie Tweede Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog De Tweede Wereldoorlog werd in Vlaanderen getekend door de onvoorwaardelijke collaboratie van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). De samenwerking met de bezetter en de bestraffing erva... Lees meer ).
Die invulling van de Vlaamse identiteit, onafhankelijk van de Belgische context, werd in toenemende mate uitgedragen door katholieke en nationalistische Vlaamsgezinden, die elkaar na de oorlog vonden in het kader van de zogenaamde CVP Christelijke Volkspartij (CVP) Lees meer -verruiming. Alternatieve discoursen over de Vlaamse identiteit raakten van langsomeer in de verdrukking. Van een dynamische Belgischgezinde strekking binnen de Vlaamse beweging of een evoluerende Vlaams-Belgische identiteit, die in de 19de-eeuw toonaangevend was geweest, was ternauwernood nog sprake. Ook de Vlaamse socialisten raakten minstens deels vervreemd van het Vlaamse identiteitsgevoel dat ze decennialang hadden gekoesterd. Naast de christendemocratische houdgreep op Vlaanderen was er immers de pijnlijke associatie met de collaboratie (waarin ook hun Vlaamsgezinde boegbeeld Hendrik de Man
De Man, Hendrik Hendrik de Man (1885-1953) was een vooraanstaand Belgisch socialistisch politicus, die vanaf 1933 aan het hoofd kwam te staan van de Belgische Werkliedenpartij (BWP). De Man droeg bovendi... Lees meer een heel eind was meegegaan).
De naoorlogse periode – getekend door repressie en epuratie – betekende onmiskenbaar een terugslag voor de Vlaamse beweging. Zoals ook na 1918 het geval was, kwam het Belgische nationalisme Belgisch nationalisme Lees meer versterkt uit de oorlog, terwijl de ‘Vlaamse zaak’ aan politieke én morele geloofwaardigheid inboette en voor velen ideologisch verdacht was geworden. Het duurde tot de jaren 1960 voor de politieke Vlaamse beweging opnieuw aan slagkracht won en zich kon bevrijden uit wat haar aanhangers zelf omschreven als ‘de catacomben’.
Identiteitspolitiek na 1960
In de loop van de jaren 1950 en 1960 voltrok zich een paradoxale evolutie. Waar de herinnering aan de collaboratie in de eerste jaren na de oorlog zorgde voor een problematisering van alles wat naar ‘Vlaamsgezindheid’ zweemde, ging een minder opvallend proces van latente Vlaamse natie- en identiteitsvorming intussen gestaag verder.
Een belangrijke rol in dat proces speelden de moderne massamedia. Veelgelezen dagbladen in Vlaanderen zoals De Standaard
De Standaard (1914-) Het eerste nummer van het dagblad De Standaard verscheen op 4 december 1918. De krant was gedurende vele decennia hét blad bij uitstek van de katholieke Vlaamse beweging in al haar varian... Lees meer , Het Volk
Het Volk Het Volk (1891-2008) was de Gentse krant van de christelijke arbeidersbeweging. Lees meer , de Gazet van Antwerpen
Gazet van Antwerpen De krant Gazet Van Antwerpen verschijnt sinds 1891 en betoonde van bij de start belangstelling voor de Vlaamse beweging. Aanvankelijk werd de Antwerpse Meetingpartij gesteund en later Fra... Lees meer en De Nieuwe Gids De Nieuwe Gids De Nieuwe Gids was een katholieke krant (voor de middengroepen), die verscheen van 1947 tot 1995. Lees meer gingen in hun berichtgeving uit van een (gematigd) Vlaamsgezind perspectief op de actualiteit. In grote mate conformeerden ze zich aan de beeldvorming over collaboratie, repressie en verzet die door de Vlaamse beweging werd aangestuurd. Communautaire dossiers – zoals die over de taalgrens
Taalgrens Het begrip ‘taalgrens’ verwijst in het algemeen naar een grens die twee bevolkingsgroepen die een verschillende taal spreken van elkaar scheidt en in het bijzonder naar de grens tussen he... Lees meer en het statuut van Brussel Brussel In de geschiedenis van de Vlaamse beweging speelde Brussel een unieke rol vanwege haar hoofdstedelijke functies, economische aantrekkingskracht en als symbool van verfransing, die zich v... Lees meer – werden niet met een Belgische, maar vanuit een specifiek-Vlaamse lens in beeld gebracht.
Ook de jonge Vlaamse televisie
Televisie Als geen ander massamedium heeft de televisie bijgedragen aan de vorming van de Vlaamse ‘verbeelde gemeenschap’. Terwijl de staatshervormingen zich voltrokken, werd de Vlaamse natie dagel... Lees meer benaderde de realiteit in de regel vanuit het perspectief van ‘de Vlaming’, niet vanuit dat van ‘de Belg’. De openbare omroep bestond vanaf haar beginjaren uit een relatief autonome Vlaamse en Franstalige vleugel en onderging reeds zo vroeg als in 1960 een federalisering, als gevolg van de omroepwet- Harmel Harmel, Pierre De Franstalige christendemocraat Pierre Harmel (1911-2009) was nauwelijks acht maanden premier van België, maar meermaals minister. Hij werd ook voorzitter van de Senaat. Het Centrum van ... Lees meer . De BRT profileerde zich als een ‘instituut waar de Vlamingen zonder een zweem van onderworpenheid Vlaams weten te zijn’ (omroepwet van 1960). Aan het hoofd van de Vlaamse omroep stonden, naast de katholieke cultuurflamingant Jan Boon
Boon, Jan Jan Boon (1898-1960) was tijdens de Eerste Wereldoorlog betrokken bij het activisme. Later was hij hoofdredacteur van De Standaard. Van 1939 tot aan zijn overlijden had hij de leiding van... Lees meer , die van 1939 tot zijn overlijden in 1960 directeur-generaal van het NIR was, Bert Leysen
Leysen, Bert Lees meer , Julien Kuypers
Kuypers, Julien Julien Kuypers (1892-1967) was een Vlaamse, socialistische schrijver en ambtenaar. Hij was meerdere malen kabinetschef op socialistische ministeries en bekleedde hoge functies op het depa... Lees meer en Nic Bal, figuren met verschillende ideologische, doorgaans katholieke of socialistische profielen (en vaak met een verzetsachtergrond), die echter allen gepokt en gemazeld waren in het cultuurflamingantisme. In hun ogen vormde de omroep een uitgelezen instrument voor de Vlaamse emancipatiestrijd. Onder hun leiding zette de jonge Vlaamse televisie in op de popularisering van de Vlaamsgezinde traditie en symboliek. Guldensporenvieringen – kort na de oorlog een beladen gebeuren – werden al vroeg uitgezonden en op die manier ‘genormaliseerd’, ontdaan van een al te spitante Vlaams-nationalistische betekenis. De omroep ontpopte zich zo als erfgenaam van de minimalistische Vlaamse beweging en deed aan Vlaamse natievorming binnen een Belgisch kader.
De daarbij verbeelde Vlaamse identiteit vertoonde zowel dynamische als essentialistische trekken. Uit de programma’s sprak in de regel een cultureel homogeen Vlaming-beeld, met veel aandacht voor de traditie. De vele adaptaties van klassiekers uit de literaire Vlaamse beweging (werk van Ernest Claes
Claes, Ernest Ernest Claes (1885-1968) was een schrijver van volkse romans en verhalen en een leidend ambtenaar in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij vervolgd wege... Lees meer , Felix Timmermans
Timmermans, Felix Felix Timmermans (1886-1947) is de auteur van een omvangrijk en veelgelezen oeuvre. Tot zijn bekendste romans horen Pallieter (1916) en Boerenpsalm (1935). Tijdens de Eerste Wereldoorlog ... Lees meer , Stijn Streuvels
Lateur, Frank (pseudoniem Stijn Streuvels) Frank Lateur (1871-1969), beter bekend onder zijn pseudoniem Stijn Streuvels, was een toonaangevende Vlaamse schrijver, die ondanks zijn individualistische ingesteldheid geregeld Vlaamsge... Lees meer …) die vanaf de jaren 1960 het fictieaanbod kleurden, zijn daarvan een sprekend voorbeeld. Het dominante Vlaming-beeld van de omroep sloot daardoor aan bij de inmiddels klassieke verbeelding van een tijdloos en ruraal Vlaanderen. Eendimensionaal traditioneel was deze beeldvorming echter niet: een populaire fictiereeks als Wij, heren van Zichem bewees dat nostalgie niet onverenigbaar werd geacht met wetenschap en technologische vooruitgang. De omroep leek dan ook vooral voort te bouwen op de gematigd moderne culturele Vlaamse beweging uit het interbellum, wat onder andere ook bleek uit haar aandacht voor moderne beeldende kunst
Beeldende kunst De beeldende kunsten en de Vlaamse beweging onderhielden van 1830 tot vandaag een complexe en gelaagde relatie, die pendelde tussen gematigde sympathie, radicaal engagement en kritische a... Lees meer .
Even cruciaal als de (al dan niet expliciete) Vlaamse identiteitsconstructie door de massamedia waren de transformaties die zich in deze decennia aftekenden op demografisch
Demografie Lees meer , economisch en sociaal vlak en die het discours van de Vlaamse beweging over de Vlaamse identiteit ingrijpend zouden wijzigen. In tegenstelling tot Wallonië nam de bevolking in Vlaanderen toe en werd ze welvarender. In het verlengde van die economische ontwikkeling steeg ook het aantal hoger en universitair gediplomeerden aanzienlijk. Heel wat afgestudeerden uit die generatie vonden hun weg naar Vlaamsgezinde sociaal-culturele organisaties, wat zeker bijdroeg tot de democratisering ervan. Een specifieke Vlaamse identiteit, niet langer etnisch maar civiel van aard en steeds meer losgezongen van het Belgische staatsverband, raakte gaandeweg breder verankerd onder de bevolking en vormde zo een draagvlak voor de opeenvolgende staatshervormingen. Tegen het einde van de jaren 1960 zorgde dit ervoor dat de Vlaamse beweging opnieuw een sterkere politieke impact kon uitoefenen.
De Vlaams-nationalistische en federalistisch
Federalisme Sinds het begin van de 20ste eeuw behoort federalisme tot het programma van eerst de Waalse en vervolgens ook de Vlaamse beweging. Vanaf 1970 is de transformatie van België van unitaire t... Lees meer georiënteerde Volksunie
Volksunie (VU) Tussen 1954 en 2001 bepaalde de Volksunie (VU) als Vlaams-nationalistische partij mee de politieke evolutie in België, van unitaire staat tot federaal koninkrijk. Ze groeide uit tot de tw... Lees meer , opgericht in 1954, zorgde in de jaren 1950 en 1960 voor de electorale doorbraak van het vernieuwde Vlaams-nationalisme. De partij trok vooral katholieke middenklassers aan die gepokt en gemazeld waren in een emancipatorisch cultuurflamingantisme. Met haar gemengde samenstelling – een rechtervleugel, een sterke centrumpool en een sociaal-progressieve minderheid – groeide ze vanaf 1965 uit tot een succesvolle zweeppartij die de economische, sociale en politieke achterstelling van Vlaanderen, of wat daarvan overbleef, wilde wegwerken. Naast het bereiken van een integrale taalkundige en culturele homogeniteit in Vlaanderen stond ook de strikte tweetaligheid van de overheid hoog op haar politieke agenda.
Naarmate de Vlaamse economie
Economie Dit artikel gaat over de relatie tussen economie en Vlaamse beweging. Daarmee beoogt deze tekst geen economische geschiedenis te schetsen van wat we vandaag Vlaanderen noemen. Integendee... Lees meer aantrok, steeg ook het aantal voorstanders van Vlaamse economische zelfstandigheid en culturele autonomie en won het federalistische gedachtegoed veld. In 1964 – na de massaal mobiliserende Marsen op Brussel
Marsen op Brussel De Mars(en) op Brussel waren twee flamingantische massabetogingen die in Brussel op 22 oktober 1961 en 14 oktober 1962 werden georganiseerd. Lees meer in 1961 en 1962 – zag het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen
Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV) Het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV) werd officieel opgericht op 13 mei 1966 en overkoepelt een hele reeks Vlaamsgezinde organisaties en verenigingen van uiteenlopende (ideol... Lees meer (OVV) het levenslicht, op initiatief van Clem de Ridder
De Ridder, Clem Clem de Ridder (1920-2013) speelde tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw een belangrijke rol in het flamingantische middenveld, onder meer als bestuurder van het Davidsfonds en ... Lees meer , toenmalig algemeen secretaris van het Davidsfonds
Davidsfonds (DF) Het Davidsfonds is een katholieke Vlaamse cultuurvereniging, die werd opgericht in januari 1875. Lees meer , later bijgetreden door Aloïs Gerlo
Gerlo, Aloïs Aloïs Gerlo (1915-1998) was een Vlaamsgezinde communist en later socialist, die tijdens de jaren 1960 en 1970 een leidinggevende rol vertolkte in de niet-partijpolitieke Vlaamse beweging ... Lees meer , voorzitter van het Vermeylenfonds
August Vermeylenfonds (AVF) Het August Vermeylenfonds, een socialistisch geïnspireerde, Vlaamsgezinde cultuurvereniging, werd opgericht in 1945. Lees meer , en kwam de Vlaamse kwestie opnieuw explicieter op het voorplan. Intussen was in 1962 de taalgrens
Taalgrens Het begrip ‘taalgrens’ verwijst in het algemeen naar een grens die twee bevolkingsgroepen die een verschillende taal spreken van elkaar scheidt en in het bijzonder naar de grens tussen he... Lees meer wettelijk vastgelegd, inclusief faciliteiten
Faciliteiten Al sinds de eerste taalwet (1873) voorzag de wetgever in faciliteiten. Deze tegemoetkomingen gaven aanleiding tot tegengestelde interpretaties door Nederlandstaligen en Franstaligen, zo ... Lees meer voor taalminderheden Taalminderheden Lees meer , met belangrijke implicaties voor de Vlaamse, verfransende rand
Vlaamse Rand De Vlaamse Rand omvat de negentien gemeenten grenzend aan Brussel of aan een faciliteitengemeente. De relatie tot Brussel leidt er tot specifieke uitdagingen. Lees meer rond Brussel.
Terwijl Vlaanderen aan invloed won – via een zelfbewuste taal- en cultuurpolitiek en een krachtige economische expansie – groeide aan de overkant van de taalgrens de overtuiging dat de Belgische eenheidsstaat Wallonië in de steek liet. De afloop van de Koningskwestie in 1950 en van de staking tegen de Eenheidswet tien jaar later versterkte in Wallonië nog het gevoel dat Vlaanderen zijn macht aan de Belgische staat oplegde. Terwijl de naoorlogse Vlaamse beweging een manier zocht om in het reine te komen met de collaboratie en de repressie, cultiveerde een grote groep in francofoon België de retorische strategie om dat ‘zwarte’ Vlaamse verleden telkens weer op te rakelen. Vincent Scheltiens heeft laten zien hoe dit ‘spiegeldiscours’ van zelfbeeld en vijandbeeld (Waals-civiek tegenover Vlaams-inciviek) de communautaire spanningen alleen maar kon vergroten.
Evoluerend identiteitsbesef in tijden van ontzuiling en staatshervorming
Tot in de jaren 1960 had de Vlaamse beweging zich geconcentreerd op het afdwingen van beschermende taalwetten Taalpolitiek en -wetgeving Situaties van taalonderdrukking vindt men wereldwijd. Daarom besteedt deze bijdrage eerst aandacht aan gehanteerde taalpolitieke strategieën. Ook in België verzette een gedomineerde taalg... Lees meer . De invloed van het federale denken, die de aanzet zou geven tot de staatshervormingen
Staatshervorming Tussen 1970 en vandaag werden zes staatshervormingen doorgevoerd die België omvormden van een unitaire in een federale staat met drie gewesten, het Vlaamse, het Waalse en het Brussels Hoo... Lees meer , werd pas echt tastbaar vanaf het midden van de jaren 1960 na de vastlegging van de taalgrens en – mede als gevolg daarvan – de kwestie rond de splitsing van de Leuvense universiteit (zie Hoger onderwijs in Leuven
Hoger onderwijs in Leuven De Franstalige Katholieke Universiteit Leuven werd vanaf 1910 geleidelijk vernederlandst. De strijd voor ‘Leuven Vlaams’ leidde in 1968 tot een splitsing, het ontstaan van twee autonome L... Lees meer ). Vanaf deze periode streefde de Vlaamse beweging in de eerste plaats naar eigen instellingen en eigen, door een gewest of gemeenschap aangenomen decreten. Gaandeweg werd een steeds groter deel van de macht losgeweekt uit de unitaire staat en ontwikkelde zich binnen de gewesten en gemeenschappen een dynamiek richting grotere bestuurlijke autonomie. De drijvende kracht achter de opeenvolgende staatshervormingen was de in 1968 zelfstandig geworden Christelijke Volkspartij Christelijke Volkspartij (CVP) Lees meer , bijgestaan door de socialistische partij. Ook de Volksunie speelde als zweeppartij een rol van betekenis. De splitsing van de drie traditionele politieke partijen in afzonderlijke Vlaamse en Waalse partijen tussen 1968 en 1978 versnelde dit proces van Vlaamse (en Waalse) politieke natievorming.
De specifiek-Vlaamse identiteit die de voorbije decennia gemeengoed was geworden, diende bij dit alles als culturele legitimatie en draagvlak, met een onverminderd invloedrijke rol voor de Vlaamse televisie als motor van natievorming. Niet alleen de BRT en haar opvolger (VRT), maar ook de commerciële televisiezenders die vanaf de jaren 1980 hun intrede deden in het omroeplandschap, droegen bij tot de constructie van een aparte Vlaamse verbeelde gemeenschap en identiteit. België nam in die dagelijkse beeldvorming op de buis een steeds minder prominente plaats in. Hetzelfde gold voor Franstaligen, die bovendien regelmatig als ‘ander’ of vijand werden voorgesteld (zie Televisie
Televisie Als geen ander massamedium heeft de televisie bijgedragen aan de vorming van de Vlaamse ‘verbeelde gemeenschap’. Terwijl de staatshervormingen zich voltrokken, werd de Vlaamse natie dagel... Lees meer ).
Naarmate Vlaanderen evolueerde tot een economisch welvarende regio – in 1966 was de productie per inwoner in Vlaanderen voor de eerste keer hoger dan in Wallonië – kreeg ook het Vlaamse zelfbeeld een ander karakter. In de televisiefictie van de BRT maakte het eeuwige platteland plaats voor de (laat)moderne stad en zette de jonge Vlaamse deelstaat zich nadrukkelijk in de markt als moderne economische natie. De stichting van gewestelijke investeringsmaatschappijen in 1978 droeg verder bij tot de regionalisering. Twee jaar later leidde die evolutie tot de oprichting van de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen (GIMV) Lees meer (GIMV). Binnen verschillende strekkingen – het Vlaams Economisch Verbond, maar ook het Algemeen Christelijk Vakverbond – groeide daarbij een verlangen naar meer regionale economische autonomie. Zoals Olivier Boehme en Dirk Luyten elders in deze encyclopedie betogen, werd de overtuiging dat Vlamingen en Walen er andere economische belangen op nahielden, bij deze dynamiek versterkt door de divergerende culturele en geografische verbeelding van ‘Vlaanderen’ en ‘Wallonië’, zoals die zich sinds de 19de eeuw had ontwikkeld. De idee dat de economische verzelfstandiging van Vlaanderen meer welvaart voor de Vlaamse bevolking zou genereren, ging dan weer terug tot het denken van Lodewijk de Raet (zie Economie
Economie Dit artikel gaat over de relatie tussen economie en Vlaamse beweging. Daarmee beoogt deze tekst geen economische geschiedenis te schetsen van wat we vandaag Vlaanderen noemen. Integendee... Lees meer ).
De staatkundige verzelfstandiging van Vlaanderen had als gevolg dat er zich een nieuwe protagonist op het vlak van nationale identiteitsconstructie manifesteerde: de Vlaamse regering
Vlaamse Regering De Vlaamse regering is de uitvoerende macht van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, geïnstalleerd na de staatshervorming van 1980 en aanvankelijk aangeduid met de term 'executie... Lees meer , die van identiteitsversterking en -invulling voortaan een beleidskwestie maakte. Verschillende regeringen en hun minister-presidenten, van Gaston Geens
Geens, Gaston Gaston Geens (1931-2002) was een econoom en CVP-politicus, die van 1981 tot 1992 voorzitter was van de Vlaamse Executieve. Geens gaf vanuit deze functie mee vorm aan het beleid in de nieu... Lees meer tot Matthias Diependaele
Diependaele, Matthias Matthias Diependaele (1979) is een Vlaams-nationalistisch politicus. Vanaf 2009 werd hij voor de N-VA verkozen in het Vlaams Parlement. Sinds 2019 maakt hij deel uit van de Vlaamse Reger... Lees meer , stelden Vlaanderen daarbij voor als een (super)moderne natie met een (super)moderne identiteit, terwijl ze inzetten op slagwoorden als ‘innovatie’ en campagnes als de Derde Industriële Revolutie Vlaanderen
Derde Industriële Revolutie in Vlaanderen De Derde Industriële Revolutie Vlaanderen (1982, DIRV) was een grootschalige promotieactie geïnitieerd door de Vlaamse Executieve, die in een sociaaleconomisch moeilijke periode een nieuw... Lees meer . Tegelijkertijd werd er echter een mentaal tegengewicht gecreëerd door de nadruk te leggen op een (vermeende) culturele traditie en een erfgoedbeleid. Zo kwam er financiële steun voor het onderzoek naar de Vlaamse miniaturen en Vlaamse polyfonisten, en werd er tussen 2018 en 2020 een groots opgezette marketingcampagne ‘Vlaamse meesters in situ’ over Rubens en de Vlaamse primitieven uitgerold.
Nu de taalstrijd gestreden leek en Vlaanderen economisch het voortouw had genomen, week het romantische idealisme van de Vlaamse beweging terug voor een verzakelijking van het discours en erodeerde de aloude symboliek. De Vlaamse ‘verbeelde gemeenschap’ was een staatkundige realiteit geworden en het culturele repertoire van motieven, sjablonen en mythes waarop de Vlaams-nationale identiteitsconstructie had gesteund leek thans overbodig. Klassieke topoi zoals Tijl Uilenspiegel
Tijl Uilenspiegel Tijl Uilenspiegel is een personage uit een laatmiddeleeuws Duits volksboek, dat van de 19de eeuw tot diep in de 20ste eeuw door uiteenlopende politieke bewegingen in België en Vlaanderen ... Lees meer , de blauwvoet Blauwvoet De Blauwvoet werd sinds 1875 een van de meest vertrouwde symbolen van de Katholieke Vlaamse Studentenbeweging en de Vlaamse beweging. Het was ontleend aan Concience’s De Kerels van Vlaan... Lees meer en de Guldensporenslag verdwenen weliswaar niet uit de culturele en publieke ruimte, maar verloren allengs hun militante identitaire lading. In het eerder aangehaalde Een geheugen in fragmenten toont Stynen in dit verband aan hoe vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw ook de ‘heilige plaatsen’ van de Vlaamse beweging aan betekenisvervaging begonnen te lijden. Van nationale heiligdommen, waar mensen samenkwamen om door middel van rituelen een collectieve identiteit te vieren werden de Groeningekouter, Campo Santo, het Schoonselhof en dergelijke geleidelijk getransformeerd tot knooppunten van individuele identiteitsbeleving. Stynen brengt deze evolutie in verband met de door Pierre Nora beschreven overgang van ‘milieux de mémoire’ naar ‘lieux de mémoire’, waarbij een cultuur van collectieve herinnering en verbondenheid met het verleden in de laatmoderne samenleving plaats had gemaakt voor een vluchtiger en geïndividualiseerd historisch bewustzijn.
Parallel aan en verweven met deze evolutie deed zich vanaf de jaren 1960 een drastische verschuiving voor op de levensbeschouwelijke as van de Vlaamse identiteitsvorming. Door de ontzuiling, secularisering en ontkerkelijking van Vlaanderen werd het aandeel van levensbeschouwing in de Vlaamse identiteitsconstructie veel fragieler (zie Kerk Kerk De verhouding tussen Kerk en Vlaamse beweging vertoont historisch een tweevoudig beeld. Enerzijds waren de godsdienstige en de Vlaamsgezinde overtuiging innig verstrengeld en vormde de cl... Lees meer ). De samenhang tussen (katholiek of vrijzinnig) idealisme enerzijds en de drang naar Vlaamse emancipatie anderzijds werd veel losser. Deze ontwikkeling bereikte een symbolisch eindpunt toen de vanouds katholieke, flamingantische krant De Standaard
De Standaard (1914-) Het eerste nummer van het dagblad De Standaard verscheen op 4 december 1918. De krant was gedurende vele decennia hét blad bij uitstek van de katholieke Vlaamse beweging in al haar varian... Lees meer in 1999 afscheid nam van haar motto AVV - VVK Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus (AVV-VVK) Deze leuze werd in 1881 gelanceerd door Frans Drijvers in het scholierentijdschrift De Student. Ze verwoordde de dubbele motivatie van Vlaamsgezindheid en ultramontaanse geloofsijver die ... Lees meer .
De reacties op deze evolutie waren uiteenlopend: sommige commentatoren spraken van een noodzakelijke aanpassing aan veranderende tijden, anderen van de ontkenning van haar oorspronkelijke identiteit. Zo waarschuwde oud-journalist van De Standaard en eerste hoofdredacteur van het christelijke opinieweekblad Tertio Bert Claerhout dat ‘respect voor en trouw aan levensbeschouwelijke idealen’ in de Vlaamse media ‘het veld moesten ruimen voor het hectisch achternahollen van de “publieke opinie” en voor een vroegtijdige zaligverklaring van de consument’. Claerhouts woorden vonden een echo in de stelling van de latere hoofdredacteur van Tertio en het kunsttijdschrift Vlaanderen Vlaanderen (1966-2017) Vlaanderen was een tweemaandelijks tijdschrift voor kunst en cultuur uitgegeven door het Christelijk Vlaams Kunstenaarsverbond (CVKV). Het blad verscheen tussen januari 1954 en december 1... Lees meer Emmanuel van Lierde in 2018 dat de ontzuiling van de media vaak tot ontzieling leidt. Standaard-journalist Marc Reynebeau, positioneerde zich met het essay Katholiek Vlaanderen. Een beeldverhaal (2012) dan weer aan de andere zijde van het debat, door een uitgesproken kritisch beeld te schetsen van de rol van kerk en geloof in het Vlaanderen van de 19de en 20ste eeuw.
Terwijl de oude tegenstelling katholiek versus vrijzinnig afnam in kracht, traden nieuwe levensbeschouwelijke breuklijnen aan het licht. Enerzijds pleitten sociale bewegingen onder invloed van ‘de geest van mei ‘68’ binnen de Vlaamse beweging voor een beter functionerende participatieve democratie, meer solidariteit met de sociaal zwakkeren, voor vrouwenrechten (zie Gender
Gender Vrouwen en mannen kregen verschillende rollen binnen de Vlaamse beweging. De heersende verwachtingen spoorden echter niet altijd met de werkelijke genderverhoudingen en evolueerden boven... Lees meer ) en voor een pluralistische, multiculturele samenleving waarin immigranten geïntegreerd werden. Anderzijds was er de revival van een etnocentrisch en (radicaal)rechts Vlaams-nationaal gedachtegoed, waarin immigratie
Immigratie Vanaf de jaren 1960 werd Vlaanderen een immigratieregio, maar al veel vroeger kenden sommige Vlaamse steden en regio’s een instroom van immigranten van buiten Vlaanderen. Deze bijdrage s... Lees meer als bedreigend voor de Vlaamse identiteit werd gezien en de klemtoon veel meer lag op de strijd tegen Walen en immigranten dan op het streven naar solidariteit.
Een scharniermoment in deze ontwikkeling vormden de dissidenties binnen de Volksunie in de context van het Egmontpact Gemeenschapspact Het Egmontpact of Egmontakkoord maakt samen met de Stuyvenbergakkoorden deel uit van het zogenaamde Gemeenschapspact, dat de definitieve pacificatie van de communautaire problemen tot doe... Lees meer . Op 1 oktober 1977 richtte Karel Dillen
Dillen, Karel Karel Dillen (1925-2007) was, na een aanloop als radicaal Vlaams-nationalistisch spreker en publicist, de oprichter en eerste volksvertegenwoordiger van het Vlaams Blok. Hij zetelde in de... Lees meer de Vlaams Nationale Partij
Vlaams-Nationale Partij (VNP) (1977-1979) De Vlaams-Nationale Partij (VNP, 1977-1979) was een radicale Vlaams-nationalistische partij, die ontstond onder impuls van Karel Dillen als reactie tegen het Egmontpact en de als te gemat... Lees meer (VNP) op. Een jaar later ging de VNP, samen met de Vlaamse Volkspartij
Vlaamse Volkspartij (VVP) (1977-1979) De Vlaamse Volkspartij (1977-1979) was een liberaal georiënteerde Vlaams-nationalistische partij, die werd opgericht door oud-VU-senator Lode Claes, uit onvrede met de Volksunie en haar h... Lees meer (VVP) van Lode Claes
Claes, Lode Lode Claes (1913-1997) was een Vlaams-nationalistisch politicus, publicist en zakenman die een Vlaamse elite wilde vormen om de Vlaamse demografische meerderheid de leiding te laten nemen... Lees meer , in een kartel onder de naam ‘Vlaams Blok’ naar verkiezingen. In 1979 volgde de officiële oprichting van de gelijknamige partij. Het discours dat zij over de Vlaamse identiteit hanteerde was essentialistisch in nationalistisch opzicht. De partij positioneerde zich van meet af als de radicalere nationalistische tegenhanger van de Volksunie, die volgens haar inzake taalwetgeving te veel toegaf aan de Franstaligen en te sterk overhelde naar federalisme, terwijl zij zelf mordicus bleef vasthouden aan de eis van een onafhankelijke Vlaamse staat. Haar visie op de Vlaamse identiteit was daarenboven exclusief in etnisch opzicht, wat zich bij uitstek manifesteerde in haar racistische Racisme Lees meer programma over migratie.
Ook onder de buitenparlementaire Vlaamsgezinde drukkingsgroepen heerste verdeeldheid, waardoor het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen
Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV) Het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV) werd officieel opgericht op 13 mei 1966 en overkoepelt een hele reeks Vlaamsgezinde organisaties en verenigingen van uiteenlopende (ideol... Lees meer aan slagkracht verloor. Deze tweespalt tussen een progressieve en conservatieve vleugel van het Vlaams-nationalisme (en de bredere Vlaamse beweging) valt niet los te zien van de hierboven al gesignaleerde problematiek om kritisch te reflecteren op zijn beladen oorlogsverleden en de jaren van ideologische radicalisering die eraan voorafgingen. Zo was het gevoel van onrechtvaardigheid over de repressie door de Belgische staat tijdens de decennia na de Tweede Wereldoorlog een belangrijk identitair bindmiddel voor een breed segment van de Vlaamse beweging. Dat gevoel van onrechtvaardigheid heeft geleidelijk plaats gemaakt voor een zoektocht naar inzicht en begrip in de houding van ouders en grootouders.
In het zog van de taboedoorbrekende televisiereeksen van Maurice de Wilde
De Wilde, Maurice Maurice de Wilde (1923-1998) was een onderzoeksjournalist van de Vlaamse openbare Radio en Televisie (VRT). Hij werd herhaaldelijk bekroond voor zijn reportages, waarvan er enkele belangr... Lees meer en het onderzoek van een nieuwe generatie historici zoals Bruno de Wever en Frank Seberechts kwam de geijkte Vlaams-nationale herinneringscultuur aan het eind van de 20ste eeuw ook binnen de Vlaamse beweging zelf steeds meer onder druk te staan. Zo verscheen op 16 september 1999 de open brief Voorwaarts maar niet vergeten. Oproep voor een eerlijk en rechtvaardig oordeel over collaboratie en repressie in Vlaanderen. De historicus Frans-Jos Verdoodt
Verdoodt, Frans-Jos Historicus Frans-Jos Verdoodt (1939) specialiseerde zich in de geschiedenis van het daensisme en van de Vlaamse beweging. In 1984 was hij de gangmaker achter de oprichting van het ADVN, w... Lees meer , die een van de drijvende krachten achter het initiatief was, sprak tijdens de IJzerbedevaart van 2000 het zogenoemde Historisch pardon
Historisch Pardon De Voorwaartsgroep was een collectief van intellectuelen van progressieve signatuur, die vanaf midden 1998 ijverden voor een kritische benadering van hoe de Vlaamse beweging zich tijdens ... Lees meer uit om zo ‘de ban te breken waarin wij vastgehouden worden en waarin wij ook onszelf opsluiten’. In diezelfde context trachtte Lionel Vandenberghe
Vandenberghe, Lionel Lionel Vandenberghe (1943-2023) was voorzitter van het IJzerbedevaartcomité en senator voor Spirit. Lees meer zich als voorzitter van het IJzerbedevaartcomité uitdrukkelijk te distantiëren van extreemrechtse strekkingen en groeperingen in de Vlaamse beweging door aan het ‘Testament van de Frontbeweging’ een hedendaagse invulling te geven en het drieluik ‘Zelfbestuur - Nooit meer oorlog - Godsvrede’ te hertalen in ‘Vrede - Vrijheid - Verdraagzaamheid’.
In de radicaal-rechtse vleugel van de Vlaamse beweging bleven de oude ideeën over het oorlogsverleden intussen impliciet doorwerken. Daarmee overleefden ook het autoritarisme en de afkeer voor de Belgische staat die sinds de jaren 1920 het rechts-conservatieve Vlaams-nationalisme hadden gekleurd. Vanaf 1995 werd in Steenstrate een IJzerwake
IJzerwake De IJzerwake is een Vlaams-nationale manifestatie die, na een eerste editie in 1995, sinds 2003 plaatsvindt als radicaal alternatief voor de IJzerbedevaart. Lees meer gehouden die na 2003 door de rechterzijde van de Vlaamse beweging werd voorgesteld als een radicaal alternatief voor de IJzerbedevaart. Deze gespletenheid tussen een conservatief en progressief Vlaams-nationalisme, tussen aanhangers van een civiel-dynamische en etnisch-essentialistische identiteit had niet alleen in 1979 geleid tot de oprichting van het Vlaams Blok, maar zou bijna een kwarteeuw later, in 2001, eveneens uitlopen op de splitsing van de Volksunie in een linkervleugel, Spirit
Spirit Spirit was een Vlaamse progressieve partij, opgericht in 2001 na het uiteenvallen van de Volksunie (VU). Eén jaar na de oprichting werd een kartel gesloten met SP.A. In 2008 werd Spirit o... Lees meer , en een rechtervleugel, de Nieuw-Vlaamse Alliantie
Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA) De N-VA is op electoraal vlak de meest succesvolle Vlaams-nationalistische partij ooit en slaagde er ook in om de grootste Belgische partij te worden. Ze zit bijna 20 jaar in de Vlaamse R... Lees meer (N-VA).
Banale identiteitsconstructie versus cultuuroorlog over identitaire materie
Naarmate de staatshervormingen zich voltrokken, werd de Vlaamse identiteitsconstructie steeds meer een ‘banaal’ en onbewust proces, dat zichzelf door de dagelijkse herhaling van allerhande populaire sjablonen en gemeenplaatsen over het Vlaming-zijn in stand hield (op de buis, in de ether, in de krant of elders). Deze evolutie wordt omschreven als een vorm van banaal nationalisme Banaal nationalisme 'Banaal nationalisme’ is een begrip van de Britse onderzoeker Michael Billig, dat verwijst naar de reproductie en de ideologische legitimering van de natiestaat in het dagelijkse leven.... Lees meer , het fenomeen dat een grote meerderheid in Vlaanderen het gevoel tot de Vlaamse natie te behoren min of meer als een evidentie beschouwt. Dit relatief algemene en onvermijdelijk vage aanvoelen van ‘de Vlaamse identiteit’ belet intussen niet dat die Vlaamse identiteit door diverse groepen op erg uiteenlopende manieren wordt ingevuld en gepromoot.
Zo vormt de Vlaamse identiteit in de eerste decennia van de 21ste eeuw andermaal de inzet van een cultuuroorlog. Terwijl die identiteit volgens een radicaal-rechtse beweging bedreigd wordt door migratie Migratie Lees meer en multiculturaliteit, beschouwen de meeste links-progressieve stemmen in de Vlaamse media en partijpolitiek migranten en etnische minderheden in de eerste plaats als maatschappelijk kwetsbare groepen, die beschermd moeten worden tegen verschillende vormen van discriminatie, en stellen zij zich daarbij positief op tegenover een multiculturele samenleving. Doorgaans combineert links dit ideaal met een sceptische, terughoudende of ronduit afwijzende houding tegenover de uitbouw van een nationale identiteit. Het neemt niet weg dat ook in de progressievere geledingen van het politieke spectrum nog steeds nagedacht wordt over de Vlaamse identiteit. In februari 2008 werd de Gravensteengroep
Gravensteengroep De Gravensteengroep was een Vlaamsgezinde groep van (vooral progressieve) academici, intellectuelen, kunstenaars, journalisten en opiniemakers. De groep dacht na over de toekomst van de B... Lees meer boven de doopvont gehouden, een groep van progressieve Vlaamse intellectuelen en kunstenaars die een pleidooi hield voor een verdere staatshervorming
Staatshervorming Tussen 1970 en vandaag werden zes staatshervormingen doorgevoerd die België omvormden van een unitaire in een federale staat met drie gewesten, het Vlaamse, het Waalse en het Brussels Hoo... Lees meer en in haar manifesten uitdrukkelijk afstand nam van de (extreem)rechtse stroming waarmee Vlaamse communautaire eisen doorgaans geassocieerd worden. Centraal in haar betoog stond het territorialiteitsbeginsel als noodzakelijke voorwaarde voor het behoud van sociaaleconomische solidariteit tussen de (taal)gemeenschappen binnen België. De invloed van de Gravensteengroep binnen de Vlaamse beweging bleef echter vrij beperkt.
Binnen de rechtervleugel is er dan weer een verschil tussen aanhangers van het etnische nationalisme van het Vlaams Belang en het civiele nationalisme van de N-VA. De scheidingslijn tussen etnisch en civiel nationalisme is echter niet altijd even duidelijk. Enerzijds wijst een civiel nationalisme uitdrukkelijk racisme en xenofobie af. Anderzijds is er een gedeelde gevoeligheid voor wat zowel etnische als civiele nationalisten omschrijven als het bewaren en doorgeven via opvoeding en onderwijs van de eigen culturele traditie. Bijgevolg zien de N-VA en het Vlaams Belang zich als speerpunten van een conservatieve Kulturkampf tegen de erfenis van mei ’68 en tegen het zogenaamde postmodernisme, een strijd die volgens hen wezenlijk verweven is met het Vlaams-nationalisme en die zich ook op het ethische domein manifesteert. Wie het multiculturalisme en het kosmopolitisme verdedigt, komt zo al snel lijnrecht te staan tegenover wie als Vlaams-nationalist de eigen tradities wil handhaven.
Met betrekking tot ethische thema’s is er het laatste decennium aan de rechterzijde evenwel een opmerkelijke evolutie. Oorspronkelijk kantte vooral het Vlaams Blok (later Vlaams Belang) zich fel tegen abortus, vrouwenemancipatie en holebirechten. In het kader van haar protest tegen de islam presenteert de partij zich het laatste decennium echter steeds meer als een voorvechter en beschermer van net die liberale rechten en vrijheden waartegen de partij zich in haar beginperiode afzette vanuit haar traditionalistische programma. Zo werd in een ‘boerka of bikini’-campagne uit 2014 de gelijkheid tussen man en vrouw uitgedragen als een fundamentele (Vlaamse) waarde.
De polarisering tussen links en rechts is nog toegenomen sinds de opkomst van het woke-gedachtegoed, waarin andere aspecten van identiteitspolitiek aan bod komen: identiteit op basis van huidskleur, seksuele voorkeur en gender
Gender Vrouwen en mannen kregen verschillende rollen binnen de Vlaamse beweging. De heersende verwachtingen spoorden echter niet altijd met de werkelijke genderverhoudingen en evolueerden boven... Lees meer . Terwijl de linkerzijde haar sympathie uitspreekt voor wat zij als onderdrukte minderheden beschouwt, hekelt de rechterzijde de opdeling van individuen in groepen op basis van huidskleur en seksualiteit als een misplaatste vorm van ‘slachtofferschap’.
‘Woke’ manifesteert zich in dit verband als een nieuw vijandbeeld van het Vlaams-nationalisme. Woke zou, aldus Bart de Wever in zijn essay over dit thema uit 2022, de grondslagen zelf van de Westerse beschaving aantasten. In plaats van een zoektocht naar een gemeenschap met gedeelde waarden en normen zorgt woke – ‘het eenheidsdenken aan linkerzijde’ – voor een gesegregeerde samenleving, opgesplitst in daders en slachtoffers. In zijn meest uitvoerige hoofdstuk geeft hij talloze voorbeelden (Black Lives Matter, dekolonisatie, sensitivity readers, quota) als illustratie van deze ‘apartheidspolitiek’. De Wever verzet zich tegen een politieke agenda ‘waarin een minderheids- of slachtofferidentiteit wordt geïdealiseerd’.
Volgens De Wever kan het identitaire vacuüm dat het postmodernisme heeft achtergelaten en waarvan woke globalisten met een verkeerd afgesteld waardenkompas het zoveelste alarmerende symptoom zijn, slechts worden opgevuld door opnieuw het verhaal van de Vlaamse gemeenschap te vertellen. Dat standpunt deelde hij aanvankelijk grotendeels met de Vlaams-nationalisten binnen het Vlaams Belang. Alleen een ‘verbeelde’ of ‘ontologisch verankerde’ gemeenschap die zij van Vlaanderen willen maken kan de maatschappelijke versplintering, eigen aan het huidige individualisme en zogenaamde nihilisme, in hun ogen tegengaan.
Ook in dit opzicht is de Vlaams-nationalistische rechterzijde echter niet vrij van contradicties en inconsequenties. Zo wezen critici op een interne tegenspraak in het rechts-nationalistische discours over ‘woke’. De Vlaamse beweging (waarvan dat rechtse Vlaams-nationalisme zich als erfgenaam presenteert) beroept zich sinds Hendrik Conscience immers op de traditie van de romantiek om de Vlaamse taal- en culturele rechten te verdedigen tegen een door Franstaligen gedomineerde staat. Nu andere minderheden of onderdrukte groepen echter op hun beurt rechten opeisen, neemt het in dit verband een weigerachtige houding aan. De ironie wil dan ook dat, zoals Absillis opmerkte in een interview in Knack, ‘Consciences ideeën rond migratie, nationale gemeenschapsvorming en interculturele solidariteit in ieder geval méér overeenkomsten hebben met de woke beweging dan met de rechtse identitaire bewegingen van vandaag.’
Intussen blijven de Verlichting en de Romantiek doorwerken in het spreken en denken over een Vlaamse identiteit. Dat blijkt onder andere uit het in april 2019 verschenen essay Over identiteit van Bart de Wever. De N-VA-voorzitter situeerde de Vlaamse identiteit expliciet in de traditie van de Verlichting. De Wever gebruikte daarbij de term ‘Verlichting’ in haar Franse variant. Voor hem staat Verlichting gelijk met de moderniteit tout court en die is per definitie rationeel en eerder antireligieus. Door de Verlichting als ‘modern’ te omschrijven, kon hij bovendien de tegenstelling met ‘postmodern’ aanscherpen. Terwijl de Verlichting rationeel is en naar waarheid (en waarden) zoekt, wijzen postmoderne intellectuelen die zoektocht in zijn ogen af.
Tegelijk omarmt De Wevers discours, zij het impliciet, een aantal uitgangspunten van de Romantiek of Tegen-Verlichting. Zo stelt De Wever alle waarden voor als zonder enig redelijk fundament en geeft hij toe geen enkele argumentatie te vinden voor het verdedigen van de waarde van zijn eigen traditie. De Verlichting ondervraagt echter elke traditie op haar merites, zoekt naar een redelijk fundament van diverse tradities en baseert daarop haar kritiek. Resoluut verwerpt hij het principe van de schone lei, dat typisch is voor de Verlichting. Ten slotte hanteert hij de term ‘Verlichting’ niet in universele zin, maar als de uitdrukking en legitimering van een moderne manier van denken en handelen, die de Westerse cultuur onderscheidt van andere culturen.
Anno 2025 wordt de impact van levensbeschouwing door Vlaams-nationalisten hoofdzakelijk als een sociocultureel element van de Vlaamse identiteit uitgespeeld, los van de levensbeschouwelijke inhoud. Zo stoelde De Wever in zijn essay over identiteit de kern van een Vlaamse identiteit op een formele interpretatie van traditie, cultuur en levensbeschouwing. Inhoudelijk wees hij de religieuze kern van het christendom af en tegelijk omarmde hij het cultuurkatholicisme als behorend tot de Vlaamse traditie. Dat we de inhoud van de Bijbel niet meer geloven, betekent immers niet dat we onze katholieke erfenis achter ons hebben gelaten. Op deze manier sloot hij aan bij een hedendaagse, alternatieve invulling van levensbeschouwelijke identiteit. In plaats van levensbeschouwelijke overtuigingen te bevragen vanuit het perspectief van wat universeel geldig en waar is, krijgen ze nu het statuut van identiteiten. Men heeft niet alleen een katholieke traditie, men is die traditie en men ontleent er zijn identiteit aan. Deze formele invulling van de traditie, die doorgaans haaks staat op de inhoudelijke invulling ervan, fungeert als hefboom om een eigen identiteit uit te werken: ‘wij’ zijn niet zoals de ‘anderen’.
Besluit
Een concept als identiteit is niet in steen gebeiteld; het is altijd onderhevig geweest aan betekenisverschuivingen en zal dat ook in de toekomst blijven. Ingebed in een politieke, economische en ideologische context, die voortdurend in beweging is, is de ervaring van een identiteit onvermijdelijk meerzinnig. Uit het voorafgaande historisch overzicht is bijvoorbeeld gebleken dat, wanneer de term ‘Vlaamse identiteit’ wordt gehanteerd, hij vandaag doorgaans niet langer verwijst naar een ontologisch gegeven, zoals dat wel vaak in de 19de eeuw was, maar eerder naar een verbeelde of ingebeelde constructie. Net omwille van dit verbeelde of ingebeelde karakter is het begrip ‘identiteit’ in de historiografie gaandeweg vervangen door ‘identificatie’.
Bovendien zijn de studie van de Vlaamse beweging en de invulling van een Vlaamse identiteit als een historisch fenomeen tijdens de laatste decennia grotendeels losgeweekt uit de gremia van die beweging zelf. Door onderzoek van tot dan onontgonnen bronnen hebben nogal wat constructivistisch geïnspireerde historici de ‘collectieve verhalen’ over een Vlaams(-national)e identiteit, die ooit de status hadden van ‘vaststaande waarheden’, tegen het licht gehouden en gedeconstrueerd. Dat collectieve verhalen gedeconstrueerd kunnen worden, betekent evenwel niet dat ze zich ook zonder meer laten reduceren tot louter inbeelding. Terwijl inbeelding een vorm van afwijzing impliceert, wijst verbeelding op de kracht van identificatie, ook al wordt de idee van een rechtstreekse weerspiegeling ervan in de werkelijkheid afgewezen. De bevraging van identiteit als een vaststaand ontologisch en teleologisch gegeven kan zo aanleiding geven tot het herleiden van elk identificatiemodel tot een illusoir construct, maar ze kan evenzeer het onderzoek aanzwengelen van hoe identificatiemodellen door de tijd heen zijn geëvolueerd en welke politieke, talige en ethische factoren die evolutie richting hebben gegeven.
De debatten over Vlaamse identiteit die tijdens de geschiedenis van de Vlaamse beweging zijn gevoerd, roepen tal van identificatiemodellen in diverse combinaties op: 1) Vlaamse identiteit in haar verhouding tot Verlichting en Romantiek; 2) Vlaamse identiteit als ontologische essentie of discursieve constructie; 3) Vlaamse identiteit en (katholieke) levensbeschouwing; 4) Vlaamse identiteit, culturele ontvoogding en banaal nationalisme; 5) Vlaamse identiteit en de wisselende ander als vijand. Elk van deze combinaties zegt niet alleen iets over het wisselende statuut van de Vlaamse identiteit, maar vooral over de onvolmaaktheid van elke poging tot een duidelijk afgebakende omschrijving ervan. Ook de verscheidenheid aan onderwerpen die met haar in verband wordt gebracht, maakt duidelijk dat een pasklare omschrijving het gelaagde karakter van identiteit nooit helemaal kan vatten.
Zo werd de Vlaamse identiteit traditioneel verbonden met emancipatorische verhalen over ontvoogding, volksverheffing, gerechtigheid en gelijkberechtiging. In schril contrast met deze hooggestemde termen worden in de huidige historiografie concepten als banaal nationalisme, alledaags nationalisme en nationale onverschilligheid gehanteerd om het ontstaan, de groei en (hedendaagse) beleving van de Vlaamse identiteit te beschrijven en te verklaren. In zijn essay over identiteit accentueert Bart de Wever het onbewuste aspect van de hedendaagse beleving ervan: ‘Zeker via dominante massamedia formuleren wij onze identiteit op een zo vanzelfsprekende manier dat de deelgenoten eraan zich van dit proces niet eens bewust zijn. Veel meer dan een expliciet appel op een bewuste keuze voor identiteit, is deze banale identiteitscreatie evident grootschalig en effectief.’
Dat contrast tussen bewuste ontvoogdingsdrang en banale identiteitscreatie heeft zeker te maken met de talige, economische en politieke ontvoogding van Vlaanderen die zich vanaf de tweede helft van de vorige eeuw geleidelijk heeft doorgezet. Tegelijk onttrekt een te monolithische voorstelling van dit contrast allerlei onderliggende spanningen aan de aandacht. Binnen het palet aan nationalistisch geïnspireerde verhalen had zich trouwens ook reeds een spanningsveld geopend dat terugging op de vraag of de Vlaamse identiteit allereerst gestoeld was op het recht op een eigen taal of veeleer breder diende te worden gedefinieerd.
Ook andere binair geconstrueerde tegenstellingen (teleologisch versus contingent, exclusief versus inclusief, essentialistisch versus constructivistisch, romantisch versus verlicht) vallen niet één op één samen met de concrete realiteit. Een conceptuele analyse van die combinaties van begrippen laat ook hier zien hoe moeilijk het is een duidelijke waterscheiding tussen de inhoud ervan aan te brengen en hoe vaak ze elkaar in de dagelijkse praktijk overlappen. Zo tonen cultuurfilosofische analyses dat essenties niet alleen ontologisch maar ook symbolisch kunnen functioneren en dat een teleologische interpretatie van de geschiedenis niet per definitie een noodzakelijk verloop impliceert, maar eveneens ruimte laat voor de rol van contingente historische factoren.
Dat ook de ideologische tegenstelling tussen het identiteitsgevoel van respectievelijk etnisch en civiel nationalisme niet helemaal helder is, heeft te maken met de schatplichtigheid ervan aan de Romantiek. Enerzijds is men zich bewust van het verbeelde karakter ervan, anderzijds herkent men die verbeelde constructie in de werkelijkheid waaraan men vorm wil geven. Enerzijds kleeft aan de term ‘identiteit’ het gevaar van racistische en xenofobe uitsluitingsmechanismen, anderzijds kan hij staan voor de bezorgdheid om de eigen culturele traditie te bewaren en door te geven.
Het is dan ook onmogelijk te voorspellen hoe het denken over (Vlaamse) identiteit zal evolueren. Het parcours ervan zal bijvoorbeeld samenhangen met de evolutie van het vijandbeeld of de invulling van het slachtofferschap. Zo is het vijandbeeld door de geschiedenis heen veranderd van buitenlandse overheersers in dat van franskiljonse Vlamingen, Franstaligen, de Belgische staat, moslims en niet-Europese migranten, (vermeende) kosmopolitische intellectuelen en woke-aanhangers. Symptomatisch voor een veranderde visie op slachtofferschap is de aandacht die historici als Bruno de Wever, Nico Wouters, Koen Aerts, Babette Weyns en Michèle Corthals vragen voor de rol van het verzet in bezet België.
Zal het diep verankerde beeld van ‘links Wallonië’ worden bijgesteld na de electorale overwinning in 2024 van de rechts-liberale MR? Blijft de tegenstelling met ‘rechts Vlaanderen’ overeind? Zal de federalisering in de institutionele koelkast verdwijnen of zal ze worden doorgezet? Of zal er een luidere roep naar herfederalisering weerklinken en zal de Vlaamse identiteit opnieuw met een Belgische en Europese identiteit worden verweven? Zal een inclusieve of exclusieve invulling van de Vlaamse identiteit bij de toekomstige identiteitscreatie doorwegen? En welke rol is daarbij weggelegd voor het Nederlands? Zal het blijvend gebruikt worden voor de integratie van anderstalige nieuwkomers, ook al heeft het vandaag zijn statuut als onderzoekstaal in het Nederlandstalige universitair onderwijs (een oude eis van de Vlaamse beweging) grotendeels verloren ten voordele van het Engels? De toekomst zal het uitwijzen.
Dat die evoluerende visies op de Vlaamse (en elke) identiteit altijd steunen op vaak verzwegen vooronderstellingen en dieperliggende overtuigingen (bijvoorbeeld over het gehanteerde mensbeeld), maakt de debatten erover juist zo complex, doorgaans verhit en laat ze vaak vastlopen in dovemansgespreken. Die vooronderstellingen expliciteren en de daarin gehanteerde basisconcepten onderzoeken, articuleren en verfijnen, is het doel bij uitstek van een cultuurfilosofische analyse. Een dergelijke analyse kan en wil nooit een invulling van (de Vlaamse) identiteit voorschrijven, ze beoogt wel via conceptanalyse en explicitering van vaak verzwegen en impliciet onderliggende overtuigingen het gesprek erover te verhelderen. Alleen een volgehouden debat over de wisselende betekenis van identiteit en over de verandering van identificatiemodellen, zoals historici die zo nauwgezet mogelijk in kaart brengen, kan de eenzijdigheden, eigen aan elke tijdgebonden historisch-kritische methode en elke tijdgebonden visie op identiteit, amenderen. Alleen een volgehouden debat over de onderliggende vooronderstellingen van identiteitsvorming kan opheldering brengen over de vraag of het – in de verwoording van de Ghanees-Britse filosoof Kwame Anthony Appiah – al dan niet ‘leugens zijn die ons binden’.
Literatuur
Geraadpleegde studies m.b.t. Vlaamse beweging
— L. Wils, Flamenpolitik en aktivisme, Leuven, 1974.
— R. Derine, Repressie zonder maat en einde, Leuven, 1978.
— L. Gevers, Rodenbach en België. Een niet-gepubliceerde tekst van Albrecht Rodenbach, in: WT. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging, jg. 42, 1983, nr. 3, pp. 129-138.
— J. Roegiers, De Brabantse omwenteling in haar politieke, religieuze en culturele context, in: Historica Lovaniensia, Vol. 184, Leuven, 1985.
— L. Huyse, S. Dhondt e.a., Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België, 1942-1952, Leuven, 1991.
— J. Leerssen, National Identity: Symbol and Representation, Amsterdam, 1991.
— M. Reynebeau, Het klauwen van de leeuw. De Vlaamse identiteit van de 12de tot de 21ste eeuw, Leuven, 1995.
— F. Verleyen, Zonder vlinderdasje, in: Knack, 5 december 1995.
— E. Defoort, Het klauwen van de historicus, Antwerpen, 1996.
— L. Abicht, De herinnering is een vorm van hoop. Vlaanderen in de postmoderniteit, Brussel, 1997.
— L. Devoldere, Ons vaderland is de taal. Maar welke?, in: Streven: cultureel maatschappelijk maandblad, jg. 65, 1998, nr. 7, pp. 627-639.
— R. Vanlandschoot, Kapelaan Verschaeve, biografie van Cyriel Verschaeve, Tielt, 1998.
— L. Gevers e.a., Geschiedenis van de Vlaamse beweging, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Lannoo, 1998, pp. 35-86.
— T. Verschaffel, De hoed en de hond. Geschiedschrijving in de Zuidelijke Nederlanden. 1715-1794, Hilversum, 1998.
— R. van Ginkel, Op zoek naar eigenheid. Denkbeelden en discussies over cultuur en identiteit in Nederland, Nederlandse cultuur in Europese context, Den Haag, 1999.
— L. Vos & K. Deprez, Nationalisme in België: identiteiten in beweging. 1780-2000, Antwerpen, 1999.
— H. Schiltz, De Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging: eindbalans of vertrekpunt?, in: Ons Erfdeel, jg. 42, 1999, nr. 2, pp. 238-245.
— J. van Gerwen, Waarom ik niet helemaal Vlaming ben, in: Streven: cultureel maatschappelijk maandblad, jg. 65, 1998, nr. 5, pp. 387-398.
— M. Beyen & G. Vanpaemel. Rasechte wetenschap? Het rasbegrip tussen wetenschap en politiek vóór de Tweede Wereldoorlog, 1998.
— M. Beyen, “Levet scone! of de ambiguïteit van een Vlaams-katholieke geschiedvisie tijdens de Tweede Wereldoorlog”, in: Handelingen van de Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, 50 (1998), pp. 19-45.
— M. Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel, Antwerpen, 1998.
— J. Leerssen, Nationaal denken in Europa. Een cultuurhistorische schets, Amsterdam, 1999.
— M. Beyen, De eigenheid van het vaderland, in: Ons Erfdeel, jg. 43, 2000, nr.1, pp. 466-468.
— V. Lambert, De Guldensporenslag van fait-divers tot ankerpunt van de Vlaamse identiteit (1302-1328): de natievormende functionaliteit van historiografische mythen, in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis van de Nederlanden, jg. 115, 2000, pp. 365-391.
— G. van den Bossche, Enlightened innovation and the ancient constitution : the intellectual justifications of the Brabant Revolution (1787-1790), Brussel, 2001.
— G. H. Nörtemann, Im Spiegelkabinett der Historie. Der Mythos der Schlacht von Kortrijk und die Erfindung Flanderens im 19. Jahrhundert, Universität Bielefeld, dissertatie, 2002.
— M. van Ginderachter, Zelfportret, gevleid natuurlijk. Het zelfbeeld van de Waalse beweging, in: Ons Erfdeel, Jg. 46, 2003, nr. 3, p. 355-371.
— M. Beyen, ‘Zwart wordt van langsom meer de zwartgezinde massa’. De Vlaamse beeldvorming over bezetting en repressie, 1945-2000, in: J. Gotovitch en C. Kesteloot (red.), Het gewicht van het oorlogsverleden, Gent, 2003, pp. 105-120.
— H. van Velthoven, Over mythe, symboliek en interpretatiekaders: 1302 en de Vlaamse beweging, in: WT. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging, jg. 62, 2003, nr. 4, pp. 279-289.
— A. Stynen, Een geheugen in fragmenten. Heilige plaatsen van de Vlaamse beweging, Tielt, 2005.
— M. Beyen, Een uitdijend verhaal. De historiografie van de Vlaamse Beweging 1995-2005, in: WT. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging, jg. 64, 2005, bijzonder nummer, pp. 18-34.
— M. van Ginderachter, Het rode vaderland. De vergeten geschiedenis van de communautaire spanningen in het Belgisch socialisme voor WOI, Tielt, 2005.
— M. van Ginderachter, Het kraaien van de haan. Natie en nationalisme in Wallonië sinds 1880, Gent, 2005.
— J. Leerssen, De bronnen van het vaderland. Taal, literatuur en de afbakening van Nederland 1806-1890, Nijmegen, 2006.
— K. Aerts, Bestraffing van de collaboratie in België. Beeldvorming en onderzoek, in: Bijdragen tot de eigentijdse geschiedenis, 2009, nr. 21, pp. 55–92.
— H. de Smaele, Rechts Vlaanderen. Religie en stemgedrag in België, 1884-1914, Leuven, 2009.
— L. Wils, Van de Belgische naar de Vlaamse natie : een geschiedenis van de Vlaamse beweging, 2009.
— J. Tollebeek, The Hyphen of National Culture. The Paradox of National Distinctiveness in Belgium and the Netherlands, 1860–1918, in: European Review, jg. 18, 2010, nr. 2, pp. 207225.
— M. Beyen, Identiteit: tussen democratie en fascisme, in: Oikos, 2011, nr. 56, pp. 23-33.
— O. Boehme, Greep naar de macht. De sociaal-economische agenda van de Vlaamse beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum, Leuven, 2008
— J. Bouveroux, De barst in België… is er altijd geweest, Leuven, 2011.
— R. Falter, België, een geschiedenis zonder land, Antwerpen, 2011.
— I. Maly, N-VA : analyse van een politieke ideologie, Antwerpen, 2012.
— M. Reynebeau, Katholiek Vlaanderen. Een beeldverhaal, Lido, 2012.
— J. Weijermars, Stiefbroeders. Zuid-Nederlandse letteren en natievorming onder Willem I, 1814-1834, Hilversum, 2012.
— H. De Vriese, De bekoring van de onttovering, in: Streven: cultureel maatschappelijk maandblad, jg. 80, 2013, nr. 2, pp. 144-149.
— G. Reymenants, Marie Elisabeth Belpaire. Gender en macht in het literaire veld 1900-1940, Leuven, 2013.
— R. van Stipriaan, 5949 dagen Groot-Nederland : sleutelen aan een collectieve identiteit tussen 1815-1830, en daarna, in: Ons Erfdeel, jg. 56, 2013, nr. 3, pp. 30-37.
— K. Aerts, Repressie zonder maat of einde? De juridische reïntegratie van collaborateurs in de Belgische staat na de Tweede Wereldoorlog, Gent, 2014.
— D. de Groen, Nationale identificatie in België tijdens de Eerste Wereldoorlog, in: WT. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging, jg. 73, 2014, nr. 4, pp. 333-347.
— R. Vanlandschoot, Hugo Verriest: biografie, Tielt, 2014.
— E. Witte, Het verloren koninkrijk. Het harde verzet van de Belgische Orangisten tegen de Revolutie. 1828-1850, Antwerpen, 2014.
— K. Absillis, De Vlaams-nationalist als discursieve constructie. Bedenkingen bij ‘N-VA. Analyse van een politieke ideologie’ (I. Maly, 2012), in: WT. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging, jg.74, 2015, nr. 4, pp. 158-196.
— M. van Ginderachter, ‘Nationale onverschilligheid’. De Habsburgsmonarchie en België. Een review van recente literatuur, in: WT. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging, jg. 74, 2015, nr. 4, pp. 197-216.
— K. van Nieuwenhuyse, K. Wils, Historical Narratives and National Identities. A Qualitative Study of Young Adults in Flanders, in: Journal of Belgian History, jg. XLV, 2015, nr. 4, pp. 40-73.
— K. Humbeeck, Omtrent De Kerels van Vlaanderen. Eerste aanzet tot een kleine draagbare geschiedenis van de Vlaamse Kerel, In: K. Humbeeck, K. Absillis (red.), De grote onleesbare: Hendrik Conscience herdacht, Gent, 2016, pp. 113-173.
— V. Scheltiens, Met dank aan de overkant, Kalmthout, 2017.
— H. Vandevoorde (red.), Hoe Vlaming te zijn? Zes teksten van August Vermeylen & Jozef Deleu, Kalmthout, 2017.
— M. Beyen & F. Seberechts, Wie zijn dat, ‘wij’, Vlamingen? ‘Met de Leitkultur begint de uitsluiting’, in: De Standaard, 20 oktober 2018.
— T. Vrints en M. Schoups, De overlevenden. De Belgische oud-strijders tijdens het interbellum, Kalmthout, 2018.
— B. Weyns, “De naam van mijn vader valt als een oordeel.” Collaborateurs door de ogen van hun kinderen in de Vlaamse roman (1970-2000), in: WT. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging, jg. 77, 2018, nr. 1, pp. 5-26.
— F. Seberechts, Onvoltooid Vlaanderen. Van taalstrijd tot natievorming, Antwerpen, 2017.
— Ba. De Wever, Over identiteit, Gent, 2019.
— Br. De Wever, F.-J. Verdoodt en A. Vrints, Flemish patriots and the construction of the nation: how the Flemish nation ceased to be ‘small’, NISE-essay 4, Antwerp, 2019.
— Br. de Wever en G. Willems, de verbeelding van de leeuw. Een geschiedenis van media en natievorming in België, Antwerpen, 2020.
— L. Huyse, K. Aerts, B. De Wever, S. Dhondt, P. Lagrou, Onverwerkt verleden : een update na dertig jaar, Leuven, 2020.
— I. Janssens (red.), Onvoltooid verleden tijd, Antidotum tegen historisch geheugenverlies, Antwerpen, 2020.
— M. Reynebeau, De constructie van een Vlaamse identiteit. Als ‘wij’ alleen nog Vlamingen zijn”, in: De Standaard, 8 augustus 2020.
— H. Simissen, Oorlog om Clio. Geschiedschrijving tussen historisme en presentisme, in: Streven: Vrijplaats, 7 augustus 2021. https://streventijdschrift.be/oorlog-om-clio-geschiedschrijving-tussen-… Geraadpleegd op 6 december 2024.
— J. Vanhecke, Voor moedertaal en vaderland. Hendrik Conscience biografie, Antwerpen, 2021.
— K. Absillis, Het slechte geweten van Vlaanderen. Nationalisme, racisme en kolonialisme in de tijd van Hendrik Conscience, Leuven, 2022.
— A. Fuhrmann, Een encyclopedie voor de 21ste eeuw: concept en uitgangspunt bij de Digitale Encyclopedie van de Vlaamse beweging, in: WT. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging, jg. 81, 2022, nr. 1, pp. 36-43.
— W. Pauli, Kevin Absillis wil eerherstel voor Hendrik Conscience: ‘Voor zijn tijd was hij best woke’, in: Knack, 17 augustus 2022.
— D. Sinardet e.a., Kering richting herfederalisering zet zich door. Onderzoek naar de institutionele voorkeuren van de Belgische parlementsleden, in: Samenleving & Politiek, jg. 29, 2022, nr. 10, pp. 4-17.
— J. Tollebeek, M. Boone, K. van Nieuwenhuyse, Standpunt. Jaargang 2022. Een canon van Vlaanderen Motieven en bezwaren, 2022.
— G. Vanheeswijck, ‘Jij kan me niet verstaan’. Het mensbeeld en historisch besef achter de huidige identiteitspolitiek, in: Zwart Wit Woke. Op zoek naar Nuance, Streven vrijplaats, mei 2022, pp. 50-66.
— Ba. de Wever, Over woke, Gent, 2023.
— J. Vermeersch, De historische kramp bij progressieven, in: De Standaard, 9 januari 2023.
— L. Wils, Vlaamse beweging, sociale beweging?, 2023.
— G. Vanheeswijck, Tribalisme in tweevoud. Links is niet woke, 5 augustus 2023, geraadpleegd op 21 oktober 2025, op: https://www.dereactor.org/teksten/tribalisme-in-tweevoud-over-woke-link….
— A. Vrints, De afrekening: Geweld tegen collaborateurs in Antwerpen, 1918 en 1944-1945, Antwerpen, 2024.
— R. Falter, Het verdeelde land. België 1830-2025, Tielt, 2025.
— W. Pauli, Een wake-up call inzake de Tweede Wereldoorlog: ‘Oude mythes over het verzet, de collaboratie en de repressie keren terug,’ in: Knack, 4 juni 2025.
— N. van Campenhout, De Voorwaartsgroep (1998-2010) en het Historisch Pardon op de IJzerbedevaart van 2000, in: WT. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging, 2025, nr. 3, pp. 193-231.
Filosofische studies m.b.t. identiteit
— H. Blumenberg, Die Legitimität der Neuzeit (erweiterte und überarbeitete Neuausgabe), Frankfurt, 1966.
— P. Ricoeur, Soi-même comme un autre, Paris, 1990.
— K. Held, Trefpunt Plato. Een filosofische reisgids door de antieke wereld, Amsterdam, 1992.
— R. Girard, God en Geweld, Tielt, 1993.
— B. Anderson, Verbeelde gemeenschappen. Bespiegelingen over de oorsprong en de verspreiding van het nationalisme, Amsterdam, 1995.
— Ch. Taylor, De politiek van erkenning, Kampen, 1995.
— Ch. Taylor, Multiculturalisme: de politiek van erkenning nader onderzocht, Amsterdam, 1995.
— M. Gauchet, Religie in de democratie. Het traject van de laïciteit, Amsterdam, 2006.
— J. Rawls, Een theorie van rechtvaardigheid, Rotterdam, 2009.
— I. Berlin, Three Critics of the Enlightenment: Vico, Hamann, Herder, Princeton, 2013.
— G. Vanheeswijck, De ambiguïteit van de term ‘radicale Verlichting’, in: Tijdschrift voor Filosofie, jg. 80, 2018, nr.1, blz. 39-71.
— P. Cortois, Symbolische essenties, Kamthout, 2018.
— G. Vanheeswijck, Identiteitspolitiek na corona. Een U-turn naar morele identiteit?, in: U-turn 2020 : naar een nieuw sociaal contract, Antwerpen, 2021, pp. 16-33.
— G. Vanheeswijck, De ambivalentie van symbolische essenties in het hedendaagse identiteitsdebat, in: S. Symons, M. Simons (red.), De symbolische mens. Symbolische essenties in de samenleving, wetenschap en kunst, Kalmthout, 2023, pp. 77-94.
— K.A. Appiah, De leugens die ons binden. Een nieuwe kijk op identiteit, Amsterdam, 2019.
— F. Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, Amsterdam, 2020.
— K. Benhaddou, De monsters van onze tijd, Antwerpen, 2025.
Guido Vanheeswijck (2025). Vlaamse identiteit: een cultuurfilosofische analyse. In: Encyclopedie van de Vlaamse beweging. 2025. https://devb.be/id/ter-001572.
Redactiegeschiedenis
Redactiegeschiedenis
2025: Guido Vanheeswijck